TVN Home » Nieuwsbrief » artikelen » Verkenningen met betrekking tot de leringen van J. Krishnamurti

Verkenningen met betrekking tot de leringen van J. Krishnamurti

15 februari 2013

In maart 2005 heeft professor P. Krishna in Naarden (Internationaal Theosofisch Centrum) een aantal lezingen gehouden over Krishnamurti en zijn “leringen”. De inhoud van deze lezingen is inmiddels vertaald in het Nederlands.

De eerste lezing heeft in Juli 2012 in deze nieuwsbrief gestaan, de tweede is gepubliceerd in Theosofia 2009 in twee delen. Ook raadpleegbaar op deze site onder ‘tijdschrift’.

Prof. Krishna was in zijn werkzame leven professor in de natuurkunde en hij is rector geweest van het Rajghat Education Centre van de Krishnamurti Foundation in India. Hij is lid van de Theosofische Vereniging en een gewaardeerd spreker die in vele landen in de wereld lezingen heeft gehouden.

VERKENNINGEN MET BETREKKING TOT DE LERINGEN VAN J. KRISHNAMURTI

Lezing 3:            Het Wetenschappelijke en Religieuze Denken

In onze vorige lezing zagen we dat de benadering van een vraag dikwijls belangrijker is dan de vraag zelf die je op een bepaald ogenblik aan het onderzoeken bent, omdat de benadering bepalend is voor de diepgang waarmee je zult onderzoeken, zult leren of een antwoord zult vinden. We zeiden ook dat het belangrijk is ieder issue te benaderen vanuit een denken dat tegelijkertijd zowel wetenschappelijk als religieus is. De moeilijkheid om dit te doen schuilt in het feit dat de mensheid een onderscheid heeft aangebracht tussen het wetenschappelijke denken en het religieuze denken en gezegd heeft dat je je moet specialiseren in het ene óf het andere. Dus meestal zie je dat de zogenaamde religieuze mens niet wetenschappelijk is en omgekeerd. We zagen al eerder dat de meeste problemen waarmee we hier in de maatschappij en in ons denken worstelen voortkomen uit een scheefgegroeide ontwikkeling van het menselijk denken: buitengewoon capabel als het gaat om kennis en denken, en nogal primitief als het gaat om het begrijpen van jezelf of van je bewustzijn. Daarom is het, denk ik, belangrijk dat we onderzoeken of deze verdeeldheid tussen het wetenschappelijke en het religieuze denken met de daarmee gepaard gaande onenigheid tussen beiden, die je waarneemt in de maatschappij, werkelijk op feiten gebaseerd is of op illusie. Is er echt iets wat maakt dat het religieuze en het wetenschappelijke zoeken niet kunnen samengaan of ontstaat deze verdeeldheid doordat we de beide termen wetenschap en religie in een enge betekenis hanteren vanuit onszelf?

We zeiden in onze vorige lezing dat we, steeds wanneer we voelen dat er conflict is of een paradox of een dilemma, dat onoplosbaar lijkt, moeten kijken naar wat onze vooronderstellingen zijn. We moeten kijken of we dat hele issue verkeerd benaderen, omdat als de benadering zelf verkeerd is, je nooit tot de waarheid zult komen. Daarom moet je het paradigma waarbinnen het denken die toestand van paradox, onenigheid, conflict of dilemma ervaart, aan een onderzoek onderwerpen. Als je een dilemma ziet dat onoplosbaar schijnt te zijn, dan kun je er donder op zeggen dat het ontstaat omdat je verkeerd naar het probleem kijkt omdat er geen strijdigheid en geen dilemma bestaat tussen twee aspecten van de werkelijkheid; dat kan er niet zijn. Er is maar één enkele cosmische orde, en indien je daarin een verdeeldheid waarneemt, dan is je waarneming illusoir. Dat hoef je niet te accepteren, maar dat is hoe ik er over denk. Het is geen dogma, het is een stelling die gebaseerd is op ervaring. Dus vraag ik me af of deze hele verdeeldheid tussen het wetenschappelijke en het religieuze zoeken en het ten gevolge daarvan verbannen van het religieuze zoeken uit iedere vorm van opvoeding, gebaseerd is op onwetendheid of op feiten?

Dit wil ik op dezelfde wijze benaderen als het probleem van conflict in relaties in onze vorige lezing, zonder mijn toevlucht te nemen tot boeken en kennis en experts en dergelijke. Gewoon beginnend met observeren en vragen stellen zo goed als je kunt, zonder enige vooronderstellingen waarover je geen vragen kunt stellen. In de natuurkunde noemen wij zo’n benadering een probleembenadering vanuit de eerste beginselen. Met eerste beginselen wordt bedoeld dat er niets is wat je niet ter discussie kunt stellen; bij iedere vooronderstelling mag je  met alle plezier een vraag stellen. Zo wil ik dit onderzoek doen, vanuit eerste beginselen: bij alles mogen vragen gesteld worden. Dus ik begin heel eenvoudig. Allereerst zie ik voor mezelf dat deze beide zoektochten heel belangrijk geweest zijn voor de mensheid. En ik stel mezelf de vraag, wat is het doel van deze zoektochten? De wetenschappelijke zoektocht is ons zoeken om de orde te begrijpen en te ontdekken die zich manifesteert in de uiterlijke wereld om ons heen — de wereld van materie, energie, tijd en ruimte. En het uiteindelijke doel van het religieuze zoeken is het ontdekken van deugd in het bewustzijn. Daar hebben we het in de vorige lezingen al over gehad, dus dat zal ik hier niet opnieuw toelichten. Socrates zei, lang geleden, dat deugd orde in het bewustzijn betekent. We gebruiken het woord ‘orde’ in de betekenis van gemoedsrust, geluk, liefde, mededogen, geweldloosheid, afwezigheid van conflict, enzovoort. En ‘wanorde’ in de betekenis van conflict, verdriet, haat, geweld, hebzucht, enzovoort, d.w.z. alle negatieve emoties. Als die er niet zijn, is er ‘orde’ in het bewustzijn. Ik definieer ze hier alleen maar omdat dat niet de manier is waarop het woordenboek orde en wanorde definieert. Dus het religieuze zoeken is een zoeken om orde te ontdekken in ons bewustzijn.

Dan stel ik mezelf de vraag: deze uiterlijke wereld en de orde die zich manifesteert in de wereld van de natuur is een realiteit en de innerlijke wereld van mijn bewustzijn, mijn gedachten, mijn emoties, mijn gevoelens, mijn reacties, mijn gewaar-zijn, is ook een deel van de werkelijkheid. Waarom dan zou de zoektocht om de orde in de wereld van de natuur te ontdekken in tegenspraak zijn met de poging om orde te ontdekken binnen het bewustzijn? Zijn dit niet allebei zoektochten naar waarheid? Hoe kan er strijd zijn tussen zoektochten naar waarheid in twee aspecten van een enkele werkelijkheid? Dus ik kijk. En ik vraag me af, waaruit ontstonden deze twee zoektochten? Waarmee begon het allemaal? Wanneer ik me dat afvraag, dan ontdek ik dat zij een gemeenschappelijke oorsprong hebben die ligt in het verlangen om dingen te onderzoeken dat eigen is aan het menselijk bewustzijn. Het menselijke bewustzijn is misschien het eerste in de loop van de evolutie dat dit aangeboren vermogen of kenmerk om te onderzoeken heeft. Als er op dit moment een paar drupjes vloeistof van het dak zouden vallen, zou het eerste wat we ons zouden afvragen zijn, wat gebeurt er, hoe kwam dat? Dus dat is hoe wij reageren. Maar als we een hond of een kat zouden zijn, zouden we die vraag niet stellen. Zij zouden het zien, maar zij stellen geen vragen. Je kunt in jezelf zien dat steeds wanneer er een mysterie is, de mens dat onderzoekt. Zo moet de mens zich hebben afgevraagd waarom de nacht volgt op de dag, waarom het weer veranderlijk is, waarom een zaadje aan een boom groeit, waarom er zonsverduisteringen zijn, wat dit universum rondom ons is, en vanuit deze vragen, vanuit deze nieuwsgierigheid om dingen te onderzoeken, ontstond de wetenschappelijke zoektocht. Zij is de menselijke reactie om te pogen een antwoord te verkrijgen op deze vragen. Hoe komt het dat deze dingen om mij heen gebeuren, waarom is de hemel blauw, waarom zijn er zoveel verschillende soorten, hoe ontstond het leven? Al dit soort vragen heeft de mens zichzelf gesteld en dat doet hij ook nu nog altijd. Op sommige daarvan heeft hij een antwoord gekregen, maar op andere nog niet. In dat proces hebben zij ontdekt dat er een geweldige orde is, dat er duidelijke oorzaak en gevolg betrekkingen bestaan, die je als wetten kunt definiëren enzovoort. Dus de hele wetenschap — de biologische wetenschap, de chemische wetenschap, de natuurkundige wetenschap — ontwikkelde zich vanuit deze vragen.

Zo moet de mens zich ook vragen hebben gesteld over zijn eigen bewustzijn. Wat is bewustzijn? Ben ik alleen maar dit lichaam, of bestaat er ook een ziel? Wat is het doel van het leven? Wat is de dood? Gaat het bewustzijn door na de dood? Waarom is er verdriet? Waarom is er geweld binnenin mij aanwezig? Is het mogelijk vrij te zijn van dit geweld? Het religieuze zoeken van de mens is erop gericht om deze vragen te verkennen, er antwoorden op te vinden. In dit geval is er een bijkomend element dat de orde niet al bij voorbaat aanwezig is binnen zijn bewustzijn. Dus hij probeert ook orde te scheppen in zijn bewustzijn. Terwijl in de natuur die orde al bestaat. De wetenschapper hoeft die niet te scheppen. Newton schiep de zwaartekracht niet. De zwaartekracht bestond altijd al; maar in ons bewustzijn is het er niet al aanwezig. Dat is ook een vraag die we moeten stellen, waarom is er overal in het universum orde, behalve in ons eigen bewustzijn? Zijn wij verantwoordelijk voor die wanorde, of heeft de natuur die geschapen?

In het wetenschappelijke onderzoek heeft de mensheid heel wat vooruitgang geboekt. We wisten helemaal niets over de wijze waarop de natuur functioneert; nu hebben we een heleboel ontdekt en daardoor hebben we gigantisch veel macht gekregen en het vermogen om de natuur te manipuleren. Dit alles noemen we vooruitgang. Je moet wetenschap onderscheiden van technologie. Technologie is de poging van de mens om de kennis van de wetenschap voor onszelf ten nutte te maken, om handige dingen voor onszelf te maken, enzovoort. Maar de wetenschap zelf heeft dat doel niet. Het doel van de wetenschap is het ontdekken van de waarheid ten aanzien van het functioneren van de natuur, het ontdekken van de orde, van de wetten die door de natuur gevolgd worden. Er bestaat een interessante anekdote uit de geschiedenis van de wetenschap, waarin Faraday, toen hij het elektromagnetisme ontdekte, een lezing hield waarin hij het nieuwe verschijnsel demonstreerde. Hij nam een metalen spiraal, bevestigde die aan een galvanometer die elektrische stroom meet, schoof een magneet naar de spiraal en liet zien dat er een elektrische stroom vloeit in de spiraal en de galvanometer doet afwijken. Dat was net toverij, want tot dan toe dachten mensen dat magnetisme en elektriciteit twee afzonderlijke dingen waren en er geen verband tussen die twee was. Faraday ontdekte dat ze allebei onderdeel zijn van één verschijnsel, onderling met elkaar verband houden. Dat was dus een volkomen nieuwe ontdekking en hij demonstreerde die ontdekking in zijn hal. Aan het eind van zijn lezing stond een van de toehoorders op en zei: “Alles goed en wel, maar wat hebben we eraan?” En het antwoord van Faraday is klassiek geworden in de geschiedenis van de wetenschap; hij zei: ”Meneer, het is een pasgeboren kindje. Wat heb je aan een pasgeboren kindje?”

Hij ontdekte het elektromagnetisme niet opdat wij deze lichten en ventilatoren en airconditioning en motoren en vliegtuigen zouden krijgen. Hij ontdekte het alleen omdat het nieuwe waarheid was omtrent de natuur. Dat is het basisdoel waarop de wetenschap zich richt. Het is een zoektocht naar waarheid. Pas daarna komt de technoloog, de ingenieur, eraan te pas, die zegt, wel, als we stroom kunnen opwekken, waarom gebruiken we die dan niet voor verwarming enzovoort. Dus we moeten onderscheid maken tussen het werk van een ingenieur dat een wetenschappelijke toepassing is en de wetenschap zelf, die slechts een zoektocht naar waarheid is omtrent de orde die zich manifesteert in de natuur om ons heen. Als we een fundamentelere vraag stellen zoals waarom er orde is in de natuur, waarom er überhaupt wetten zijn, dan kan de wetenschapper die niet beantwoorden. Hij zal zeggen, ik bestudeer de natuur, ik bestudeer de manier waarop zij functioneert. Ik stel vast dat zij geordend is, dat zij een wetmatigheid volgt, maar ik kan geen antwoord geven op je vraag waarom zij een bepaalde wetmatigheid volgt, en waarom juist deze wetmatigheid en niet een andere. Als we die wetmatigheid zouden kunnen verklaren, zou die wetmatigheid ophouden een wetmatigheid te zijn. Dan zou er een ander wet zijn, waarvan hij deze afleidt. Van zoveel dingen die vroeger als wetten beschouwd werden, weten we nu dat zij het gevolg zijn van andere wezenlijkere basiswetten. Zo heeft het wetenschappelijk onderzoek naar de orde van de natuur voortdurend vooruitgang geboekt.

Dus ons begrip van de natuur en haar ordening is enorm gegroeid, maar religieus gezien zijn we niet tot grotere orde in ons bewustzijn gekomen, en dat is die scheefgegroeide ontwikkeling van het menselijk denken waarop Krishnamurti gewezen heeft en waarvoor hij onze aandacht gevraagd heeft. Zij is verbonden met wat we zien gebeuren in de maatschappij. Dus moeten we onderzoeken en vragen, waarom zijn we in het religieuze zoeken nog steeds heel primitief,  terwijl we in het wetenschappelijke onderzoek zoveel vooruitgang geboekt hebben? Eén reden heb ik al genoemd. Dat er al een geweldige orde bestaat in de natuur. De wetenschapper hoeft die niet te creëren, we hoeven die alleen maar te bestuderen, te onderzoeken, te ontdekken, maar we hoeven die orde niet te scheppen. Terwijl er in ons bewustzijn niet automatisch orde is. Er is een heleboel wanorde in ieder menselijk bewustzijn. Daarover spraken we al in onze vorige lezing, toen we zeiden dat ieder mens van nature een ego ontwikkelt wanneer hij opgroeit, en dat ego-proces vestigt zich in zijn bewustzijn, en daaruit komt een heleboel wanorde voort. Dus de enige manier waarop hij orde kan ontdekken is door het beëindigen van wanorde. Daarom wordt het religieuze zoeken een zoektocht naar het beëindigen van wanorde, terwijl er in het wetenschappelijke zoeken geen sprake is van wanorde, daar is alleen maar sprake van orde. De religieuze zoektocht is dus moeilijker dan de wetenschappelijke, omdat de orde nog niet bestaat. Ik moet de oorzaken van wanorde begrijpen, ze uit mijn bewustzijn wegnemen om tot orde te komen.

We gaan er algemeen van uit dat de wetten van de wetenschap universeel geldig zijn. Er bestaat geen Amerikaanse wiskunde en Indiase wiskunde en Europese wiskunde. Er bestaat alleen wiskunde. Ofwel is twee plus twee vier ofwel het is geen vier. Het kan niet zo zijn dat het voor de Amerikanen wel vier is maar niet voor de Indiërs; het is geen meningskwestie. De waarheid omtrent de natuur is op dezelfde wijze universeel geldig. Niet alleen in ruimte, maar ook in tijd. De wet van de zwaartekracht werkte een miljoen jaar geleden en zal over een miljoen jaar nog zo werken, ook al bestaan wij niet meer, al bestaat de hele mensheid niet meer. De wetenschappelijke wetten zijn dus onafhankelijk van tijd en ruimte. Zij zijn niet afhankelijk van wat ik denk. Er is dus een enorme cosmische orde waarbinnen alle ontwikkelingen die wij om ons heen zien, plaatsvinden.En deze wetten zijn niet veranderd. Zij zijn onveranderlijk. Misschien ken je bepaalde wetten niet. Misschien ontdekken we nog wat nieuwe verbanden, wat nieuwe wetten, maar dat de natuur geordend is lijkt een grote waarheid te zijn. We hebben nog niets ontdekt wat de wetten niet volgt. Als we dat deden, zouden de wetten verdwijnen. Dan zou je zeggen dat die wet niet bestaat. Zo waren er wetten bekend waarvan men later zag dat ze beperkt waren en alleen maar van toepassing waren in bepaalde omstandigheden terwijl ze in andere omstandigheden niet werkten. Een van de redenen waarom het wetenschappelijk onderzoek zozeer is vooruitgegaan, is omdat het cumulatief is. Het werk dat Newton verrichtte en de ordening die hij ontdekte tijdens zijn leven konden toen in wiskundige vergelijkingen in een boek logisch verklaard worden. Het wordt nu op middelbare scholen binnen twee of drie jaar onderwezen, en je bouwt daarop voort. Aan de kennis van de ordening van de natuur wordt, net als met alle kennis het geval is, steeds meer toegevoegd en dat groeiproces gaat steeds door. En de waarheid omtrent de natuur kan worden doorgegeven, door middel van taal en in het bijzonder door een symbolische vorm van taal, die de mensheid ontdekt heeft, wiskunde geheten. Als we geen wiskunde gehad hadden of als de wiskunde geen toepassing had gevonden in de natuur, zou de wetenschap niet zo snel vooruitgang hebben kunnen boeken als zij gedaan heeft. Ook hier komt een fundamentele vraag op. Waarom volgt de natuur de wiskunde, die een door het menselijk denken ontwikkelde symbolische vorm van logica is? We weten het niet. We kunnen die vraag niet beantwoorden. Galileo schreef dat de wiskunde het alfabet is waarin God het universum schreef! Op de een of ander manier is de wiskundige logica van toepassing. Een man als Einstein kan gaan zitten, zonder een enkel experiment te doen, te starten met een of andere gedachte zonder aannames, past dan de logica toe en voorspelt dat licht moet krommen wanneer het in de buurt van een ster komt. Het duurt twintig jaar voordat de technologie zover is dat men in staat is een experiment te doen en zijn voorspelling te verifiëren. En dan ontdekken ze dat het inderdaad kromt en wel precies zoveel als hij berekend heeft. Hij had dus niet alleen gelijk met zijn voorspelling, maar op de een of andere manier volgt de natuur al die wiskunde die de taal van de natuur is. En wij mogen ons gelukkig prijzen dat we die taal ontdekt hebben. Dus hoeven we nu niet meer alleen af te gaan op onze waarnemingen en ons denken, maar we kunnen vertrouwen op deze vorm van logica die we wiskunde noemen, die ook door het menselijk denken ontwikkeld is. Het menselijk denken is natuurlijk ook een deel van de natuur.

We hebben dus niet alleen orde in de natuur ontdekt, we hebben ook een zekere logica ontdekt die door die orde gevolgd wordt. Niet alle wiskunde is van toepassing in de natuur.Je kunt alleen gebruik maken van abstracte wiskunde. Kun je een getal nemen en zeggen op hoeveel manieren dit kan worden uitgedrukt als de som van drie dobbelstenen, drie volmaakte dobbelstenen? Dat is net een puzzel, een schaakspel. Dit kun je voor je eigen lol doen. En mensen deden zulke wiskunde ook, zomaar voor de lol. En jaren later ontdekten ze dat een of ander concept dat ze zomaar voor de lol ontdekt hadden, een belangrijke functie heeft in de natuur, in een andere tak van wetenschap. Het is ongelooflijk dat dit wiskundig spelletje dat het menselijk denken graag speelt, plotseling ergens toepassing vindt in de natuur en ons begrip vergroot van de natuur en daarom een bijdrage levert aan de kennis van de wetenschap. De waarheid omtrent de ordening van de natuur kun je overbrengen door middel van een taal (zoals b.v. Nederlands of Engels) en door middel van de taal van de wiskunde. Je kunt leren welke waarheden Newton duidelijk gemaakt heeft en dan kun je leren wat Einstein duidelijk gemaakt heeft en dan kan je daar verder op doorbouwen en weer nieuwe ontdekkingen doen, enzovoort. Zo komt het wetenschappelijk onderzoek steeds verder, ontdekt nieuwe dingen en voegt die toe aan de steeds groter wordende kennis.

In het religieuze zoeken kan de waarheid niet zo worden overgedragen. Zoals er grote wetenschappers geweest zijn die een grote waarheid ontdekt hebben of een nieuwe natuurwet. Er zijn grote religieuze denkers geweest, die een gigantische orde in hun bewustzijn gevonden hebben. En zij hebben geprobeerd dat over te dragen aan de mensen. Maar het kan niet overgedragen worden, noch in woorden noch door wiskunde. Het is geen ordening die over een taal beschikt waarmee zij kan worden overgedragen. En de kennis van de waarheide is niet hetzelfde als de waarheid. Zo je moet terugkomen op waarneming. Als de wetenschap zo was, dan zou dat betekenen dat het voor mij niet voldoende zou zijn alleen maar de vergelijkingen te leren, die Einstein gegeven heeft. Om de relativiteit te begrijpen, had ik zelf het inzicht moeten hebben dat hij had in ruimte, tijd, materie en energie. Dat wil zeggen dat ik zelf Einstein had moeten zijn om werkelijk te begrijpen waar hij het over heeft. Ik hoef niet over dat inzicht te beschikken dat Einstein in al die zaken had, maar ik ken de feiten die hij heeft gegeven. Ik kan de vergelijkingen gebruiken en die vergelijkingen werken. Dus als een ingenieur een brug of een vliegtuig bouwt, dan weet hij niet waar die vergelijking vandaan komt, hij hoeft niet te beschikken over het inzicht van een wetenschapper die die vergelijking ontdekt heeft. Hij past haar slechts toe, meet het ding op, past de wet toe om de machine te bouwen en het werkt!

Maar zo werkt het niet op het gebied van religie. Je kunt de Boeddha lezen, je kunt met je verstand begrijpen wat hij zegt, je kunt het beschrijven, maar het maakt geen einde aan het geweld in je bewustzijn. Er moet dus iets meer gebeuren bij het religieuze zoeken, er moet n.l. een einde gemaakt worden aan wanorde. Dat maakt het moeilijker, omdat waarheid niet overdraagbaar is. Ik moet die waarheid voor mezelf zien. Alleen dan werkt die waarheid door op mijn bewustzijn en maakt een einde aan de wanorde binnenin mij. Maar als ik die niet zie, dan zal puur het kennen van de waarheid niet de waarheid onthullen, geen einde maken aan de wanorde en je daarom ook niet een waarneming schenken van orde. Zonder die waarneming, zonder dat inzicht, is de kennis alleen maar stof. Je kunt alle geschriften lezen en grote kennis hebben van religie, maar dat is slechts stof omdat dat je niet in contact brengt met orde in het bewustzijn. Dus het doel van het religieuze zoeken wordt niet gediend met alleen maar het overbrengen van ideeën en kennis. Dat is een heel groot verschil tussen het wetenschappelijke zoeken en het religieuze zoeken. Daarom is dat laatste ook zo veel moeilijker. Ieder mens moet voor zichzelf dat inzicht verwerven.

Een ander verschil dat ik zie is dat het betrekkelijk makkelijk is bij wetenschappelijk onderzoek om objectief te zijn, omdat je wanneer je bestudeert hoe een steen op de grond valt of een zaadje een boom wordt, er geen  persoonlijke begeerte is die zich mengt in je waarnemingen. Ik heb geen persoonlijk verlangen bij die materie en ben alleen maar bezig feitelijk te observeren en de waarnemer staat los van het waargenomene. Hij spreekt over wat hij heeft waargenomen en als er zo nu en dan een wetenschapper is bij wie persoonlijk verlangen zich mengt in zijn waarnemingen, dan zullen andere wetenschappers het experiment herhalen en die vergissing ontdekken en eruit halen. Hij is niet belangrijk. Het feit dat Newton de zwaartekracht ontdekte is niet belangrijk. Wat wel belangrijk is, is dat je de wet van de zwaartekracht begrijpt. We leren de meetkundige stellingen; we weten helemaal niet wie die stellingen maakte. Je leert gewoon wiskunde of je leert gewoon wetenschap, niet belangrijk is wie de wetenschapper was behalve voor de geschiedenis van de wetenschap. Maar de wetenschapsgeschiedenis heeft niets te maken met de wetenschap zelf. Wetenschap is slechts een hoeveelheid kennis over hoe de natuur werkzaam is, onafhankelijk van wie het ontdekte. De eerste mens die iets geheel nieuws over de natuur ontdekte heeft daarvoor een inzicht nodig. Dus ook in de wetenschap is inzicht van waarde. Je kunt het niet verkrijgen alleen door de logica. Laten we dat eens bekijken. Einstein had een opleiding gehad in de klassieke natuurkunde. En in de klassieke natuurkunde werd altijd aangenomen dat ruimte geheel los stond van tijd, dat er geen samenhang tussen bestond. Tijd is iets dat je met een klok meet, ruimte is de afstand tussen hier en daar, er is geen verband tussen beide, en het zijn twee afzonderlijke natuurkunde verschijnselen, kwantiteiten, afzonderlijk gedefinieerd, als los van elkaar bestaand verondersteld. Ook in onze ervaring zien wij geen verschijnsel waarin tijd en ruimte met elkaar samenhangen. Dus Einstein had tijdens zijn leven geen enkele idee dat tijd en ruimte met elkaar verbonden zijn. Hoe ontdekte hij door zijn denken iets dat noch in zijn geheugen was opgeslagen noch tot zijn ervaringswereld behoorde, iets volkomen nieuws? De vraag zou zich niet in zijn denkvermogen gevormd hebben als hij geen klassieke natuurkunde geleerd had en zich niet bewust was geweest van het probleem dat hij probeerde te begrijpen via de klassieke natuurkunde. Dus de vraag moest geformuleerd worden: als hij helemaal gehecht geweest was aan het bekende en de basisuitgangspunten van de klassieke natuurkunde had geaccepteerd, had hij de relativiteit nooit  kunnen ontdekken. Daarvoor was de kennis nodig om het probleem te formuleren. Er was het vermogen nodig om de vooronderstellingen te betwijfelen, wat in feite betekent dat je een zekere mate van vrijheid moet hebben ten opzichte van het bekende, en in dat gebied tussen het bekende en het onbekende, vindt dat diepe inzicht plaats, als er geen gehechtheid is aan het bekende. Maar die flits van inzicht zelf is een mysterie. Het is een mysterie voor iedere creatieve kunstenaar of wetenschapper. Creativiteit is die flits van inzicht wanneer zich iets totaal nieuws voordoet. Het is niet een denkproces. Het is niet een logisch proces. Nadat hij zo’n inzicht gehad heeft, probeert hij het dan over te brengen door middel van een logisch proces en in de wetenschap is het altijd mogelijk iets over te brengen. Maar er zijn voorbeelden geweest van wiskundigen die een oplossing gezien hebben, maar niet in staat waren deze logisch te verklaren.. Het denken vindt het antwoord. Het heeft niet logisch nagedacht over het antwoord. Het komt eerst tot het antwoord, zoekt vervolgens de logica om het over te brengen, of te bewijzen, of het aan te tonen. En er zijn nog steeds wiskundige oplossingen die door wiskundigen als Ramanujan enzovoort zijn gegeven zonder dat ze zelf het bewijs ervoor wisten. Mensen werken er nog aan en weten niet hoe hij tot die afleiding kwam. Hij leidde het zelf niet logisch af; het kwam tot hem in een flits. De meeste van de grootste ontdekkingen in de wetenschap zijn zo gedaan, door een creatieve sprong van inzicht te maken, wat een mysterieus proces is. Maar zodra dat inzicht het onbekende feit aan het licht brengt, kan het overgebracht worden als het een wetenschappelijk feit is. Maar als het een religieuze waarheid is, kan zij niet overgedragen worden. Dat is een groot onderscheid, waarvan we ons rekenschap moeten geven en dat betekent dat er een andere benadering nodig is om te leren over jezelf. Je kunt je niet op boeken en op leraren verlaten. Als we willen dat opvoeding een denken creëert dat zowel wetenschappelijk als religieus is, dan moeten we de student helpen om zowel over de wereld als over zichzelf te leren. Kennis kan vergaard worden uit boeken, maar zelf-kennis vraagt waarneming. Daarom kun je het religieuze onderricht niet op dezelfde wijze benaderen als wetenschappelijk onderricht. Je kunt de waarheid niet zomaar op logische wijze overdragen. Dat is niet genoeg omdat er geen einde komt aan de wanorde in het bewustzijn tenzij er de waarneming is van de waarheid.

Als we het hebben over de opvoeding van morgen, dan zal het belangrijk zijn dit in herinnering te houden: dat je niet zomaar ethiek kunt onderrichten of goedheid op dezelfde wijze als je onderricht geeft over de zwaartekracht. Wij zijn niet zoals we zijn omdat we niet genoeg preken gehoord hebben. Je kunt naar nog veel meer preken luisteren; ik verzeker je dat je niet al teveel zult veranderen. Dus dat is een moeilijkheid bij het religieuze zoeken. De andere moeilijkheid is dat het erg moeilijk is om objectief te zijn. De waarnemer staat niet los van het waargenomene, omdat wanneer ik naar mezelf kijk, dan is degene die naar binnen kijkt niet los van dat waarnaar hij kijkt. Ik ben niet los van de woede of het geweld, dat daar in mijn bewustzijn aanwezig is. Een eenvoudig voorbeeld van deze interactie zou zijn als je wilt zien hoe je gaat slapen. Je kijkt. Dus je ziet dat je denken vertraagt. Maar je kunt niet door en door zien hoe je in slaap valt, omdat de waarnemer, wanneer hij in slaap valt, niet meer in staat is waar te nemen! Dus er is een grote interactie tussen de waarnemer en het waargenomene. Wanneer je kijkt naar je begeerte, dan kleuren je begeerten je waarneming. Daarom is het zo moeilijk objectief te zijn. In de wetenschap is het heel eenvoudig objectief te zijn en je kunt iets herhalen en de waarnemer uitschakelen. Maar het is ook een beperking van de wetenschap dat als je de waarnemer uitschakelt, dan kan de wetenschap de waarnemer niet bestuderen! De wetenschapper bestudeert alle verschijnselen buiten hem, maar hij heeft de waarnemer daarbij uitgesloten.

Een reden waarom het religieuze zoeken losgekoppeld is van het wetenschappelijke zoeken, is omdat de wetenschapper zegt, ik observeer verschijnselen die meetbaar zijn en bewustzijn is niet iets dat meetbaar is. Het behoort tot het gebied van het onmeetbare. De wetenschapper zegt, ik weet niets over iets waaraan ik geen getal kan koppelen. Als hij liefde kan meten dan zal hij erover spreken; hij zegt: “ik weet pas wat het is, als ik er een bepaalde grootte aan kan geven!” Dit betekent niet dat liefde niet bestaat. Ook hij wordt verliefd en hij leeft met zijn bewustzijn, gebruikt het om zijn wetenschap te verrichten maar hij kan gewoon niet praten over bewustzijn. Dat is de tragedie van de wetenschapper. Zo worden dus een hele reeks verschijnselen die in de natuur voorkomen uitgesloten van zijn studie. Maar zowel het meetbare als het onmeetbare bestaan en maken deel uit van ons leven en bestaan. Wetenschappers hebben het recht om hun studie te beperken, zij hebben het recht te zeggen dat zij alleen maar bepaalde verschijnselen willen bestuderen. Maar zij zijn bekrompen als zij zeggen dat, omdat ik slechts dit bestudeer en ik alleen hierover kan praten, alleen dit bestaat en niets daarbuiten. Dus er bestaat niet zoiets als anti-wetenschap maar er is een heleboel dat zich onttrekt aan de wetenschap en dit moet ook duidelijk begrepen worden. Als je morgen zegt dat de aarde dit kopje niet aantrekt, dan is dat onmogelijk. Maar als je zegt, alleen die dingen bestaan waarover de wetenschap kan spreken en niets daarbuiten, dan bestaat je bewustzijn niet, dan bestaat liefde niet, dan bestaat geweld niet; dat wordt belachelijk. Er is dus een enorm grote hoeveelheid zaken die buiten de wetenschap vallen. Natuurlijk hebben intelligente wetenschappers die niet bekrompen zijn daarover gesproken. De beroemde wetenschapper Schroedinger sprak erover. Hij zegt dat de wetenschap tot uiteindelijk doel heeft — het enige dat van belang is — te verklaren wie we zijn. Uiteindelijk moet je verklaren waar dit lichaam vandaan komt en je moet verklaren wat dit bewustzijn is. Dat is het doel van de wetenschap. Nu houden we ons nog bezig met het lichaam. We verklaren waar de atomen vandaan komen. We weten niet hoe het leven ontstond en we weten niet hoe het bewustzijn ontstond.

Dus de kennis van de wetenschap is erg fragmentarisch en er is een heleboel wat zich buiten de wetenschap bevindt. Daarom zegt een grote wetenschapper als Einstein, alles wat ik weet is maar een kiezeltje van alle zeestranden van de wereld. Zo voelt een werkelijk diepzinnig mens zich – heel, heel nederig. Omdat je, wanneer je weet, tevens weet wat je niet weet. Maar wanneer je niet weet, dan weet je niet dat je niet weet! Dat is onwetendheid, dat is illusie. Je denkt dat je weet terwijl je niet weet. Er zijn dus deze twee wezenlijke verschillen tussen de twee zoektochten van de mensheid. Het is waar dat de religieuze zoektocht heel wat moeilijker is dan de wetenschappelijke. Maar ik zie geen contradictie tussen beide, geen strijd tussen die twee, tenzij je de religieuze zoektocht verwart met geloof. De wetenschap accepteert immers geen geloof. Dat is de vergissing die voornamelijk in het Westen heeft plaatsgevonden en ook in het Oosten. Maar in het Oosten was de traditie van onderzoek ook hogelijk gerespecteerd in religie, terwijl ze hier enorme nadruk legden op geloven en daarom was er deze duidelijke verdeeldheid tussen de Kerk en het wetenschappelijke establishment en geleerden zoals Galileo werden vervolgd. Zelfs een intelligent mens als Bertrand Russell denkt dat religie alleen maar geloof betekent en daarom drijft hij er de spot mee. Maar dat is een erg beperkte definitie van wat religie is. Geloof is niet de essentie van religie. Geloof ontstond in het proces om tot vrede te komen, toen mensen zich daar rechtstreeks mee bezig gingen houden, ontwikkelden ze rituelen, ontwikkelden ze meditatie-methoden, ontwikkelden ze gebed, retraites, allerlei soorten dingen. Misschien werd het zoeken een bijzaak en waren ze er alleen maar in geïnteresseerd om rechtstreeks tot vrede te komen, niet door middel van inzicht, niet door middel van zelf-kennis. Die vrede is tijdelijk. Die wordt tot stand gebracht door middel van een gebedsbijeenkomst of door wat samenzang, enzovoort, het is dus een toestand die tijdelijk gecreëerd wordt en wanneer je weer naar het leven zelf teruggaat, dan komt ook alles wat wanorde veroorzaakt weer terug, en de vrede verdwijnt. We hebben dat allemaal wel ervaren. Je gaat naar de kerk en ervaart een zekere vrede, maar je komt weer thuis en je maakt weer net zo hard ruzie met je partner als je dat de dag ervoor deed. Het verandert niets, omdat je niet groeit in wijsheid.

Krishnaji zei, je mist de essentie, als je een scheiding hebt aangebracht tussen religie en het dagelijkse leven. Dan functioneer je namelijk vanuit een ander denken thuis dan in de kerk of op kantoor. Op kantoor moet je prestatiegericht, agressief, ambitieus en dergelijke zijn. Thuis hoef je niet ambitieus te zijn, daar moet je liefhebbend zijn, je hoeft niet prestatiegericht te zijn, maar eerder bezitterig en hebberig. In de kerk moet je niet bezitterig zijn, maar vrijgevig en gul. Maar wie is nu je echte ik? Je hebt jezelf in stukken verdeeld en bij iedere activiteit neem je een bepaalde mentaliteit aan, die tot succes zou moeten leiden bij die activiteit. In wezen is dit verlangen naar succes het ego. Dus gedraagt het ego zich weer anders thuis dan op kantoor of in de kerk. Krishnaji noemde dat de gewijzigde continuïteit.

Dus is, zoals ik het zie, het religieuze zoeken een zoektocht naar het beëindigen van wanorde in het bewustzijn en dus het ontdekken van orde in het bewustzijn en die orde in het bewustzijn verschilt misschien niet van de cosmische orde van  de natuur buiten ons. Zo kun je het religieuze zoeken dus ook beschouwen als een zoektocht om te ontdekken wat het betekent te leven met een bewustzijn dat in volledige harmonie is met de orde van de natuur. Er is een kunstmatige scheiding tussen die orde en deze. Maar de wanorde wordt gecreëerd door het denkproces doordat het illusies schept en dergelijke. Daar zijn we al eerder op in gegaan, dus dat hoef ik hier nu niet opnieuw te doen. En daarom is het mijn eigen schepping. En dat verwijdert mij van de orde van de natuur, brengt mij vanuit die orde van de natuur in een door mijzelf, door mijn ego geschapen, bedachte wereld, enzovoort. Dus ik isoleer mezelf van de rest van het universum, wat in wezen een scheiding is tussen de wereld en mij. Er is voor mij geen scheiding tussen het wetenschappelijke zoeken en het religieuze zoeken. Het zijn beide zoektochten naar waarheid. Het zijn beide zoektochten naar orde, de ene is een zoektocht om orde te ontdekken in de buitenwereld, de andere is een zoektocht om orde te ontdekken in het bewustzijn. De uiterlijke wereld van tijd, ruimte, materie en energie en de innerlijke wereld van ons bewustzijn bestaan allebei en zijn twee complementaire aspecten van een enkele werkelijkheid. Het is een geheel. Voor communicatiedoeleinden verdelen we ze in de uiterlijke en innerlijke wereld, maar het is allemaal één wereld. Dus kan er ook geen enkele strijd bestaan tussen twee zoektochten naar waarheid. En als we theosofie accepteren als het zoeken naar waarheid dan houdt zij deze beide zoektochten in. Het zoeken naar orde in het bewustzijn en de menselijke zoektocht om de natuur te doorgronden. We hoeven de twee niet te scheiden. De scheiding is het gevolg van onze eigen onwetendheid, van onze eigen illusies.

Als je denkt dat geloof religie is, dan is dat een illusie. Religie is niet hetzelfde als geloof. Laten we eens kijken naar het Christendom, omdat u daar allemaal vertrouwd mee bent. Jezus Christus gaf de Bergrede als een diepe waarheid. Hij had het over een bewustzijn, over geweldige orde, liefde, mededogen, niet-gewelddadigheid, en het beëindigen van haat in zijn bewustzijn, en hij probeerde dat over te brengen. Wat deden zijn navolgers? In plaats van te proberen die orde te ontdekken, welke de leraar trachtte over te brengen, zeiden ze, hij is onze held, hij is een groot man. Zij maakten de Bijbel en wilden de Bijbel verkopen en zijn denkbeelden overbrengen. Niets mis mee om dit alles te doen, maar dat is de activiteit waarmee zij zich gingen bezighouden. Daaruit ontstond de Kerk. En in de Kerk rezen meningsverschillen over hoe dit gedaan moest worden en hoe we orde zouden moeten bereiken. De protestanten scheidden zich af van de katholieken. En nu is er de laatste vijftig jaar dit conflict en dit geweld gaande, in Ierland en misschien ook elders, tussen katholieken en protestanten. Wie van hen is christelijk? Wie van hen leeft volgens de Bergrede? Wie van hen probeert achter de ware betekenis van de Bergrede te komen? Dus wat betekent het om christen te zijn?

Zo ontstonden al die geïnstitutionaliseerde religies. Zij zijn niet de schuld van de wijze man die enkele diepe waarheden probeerde over te brengen. Het zijn de on-wijzen om hem heen die, in plaats van te pogen wijsheid te verkrijgen, de gedachten probeerden te verspreiden en allerlei geloven schiepen. Je kunt wijsheid niet verspreiden — dat is de grote misvatting. In plaats van te zoeken naar wijsheid kwamen zij allemaal in deze ritualistische business terecht, die onze eigen creatie is. Dat kun je ook doen met de leringen van Krishnamurti; een tempel bouwen voor Krishnamurti enzovoort. Als de wetenschappers hetzelfde gedaan hadden, als zij een tempel gebouwd hadden voor Newton en gezegd hadden, wij zijn newtonianen; als andere mensen een tempel gebouwd hadden voor Einstein en gezegd hadden, wij zijn einsteinianen, en zij hadden er met elkaar om gevochten, zouden we hen dan wetenschappers genoemd hebben? We hadden gezegd, sorry, maar waar gaan al deze gevechten en meningsverschillen over, over wat de waarheid is omtrent de natuur? Wat hebben jullie ten aanzien van de natuur begrepen? Maar op het gebied van de religie zijn wij zo onnozel geweest. Bij het religieuze zoeken accepteren we dat. Een man trekt een religieuze jurk aan en mompelt wat in het Sanskriet, in het Latijn of in het Grieks en voert een of ander ritueel uit en wij accepteren hem als een religieus mens! Hij is echter geen religieus mens. Je bent geen religieus mens, tenzij je een einde hebt gemaakt aan de wanorde in het bewustzijn, of je er tenminste van bewust bent wat religie werkelijk betekent. Daarom doe je dat. Het is dus allemaal ontstaan vanuit onwetendheid. Alle verdriet is ontstaan vanuit onwetendheid. En het is ook vanuit onwetendheid dat wetenschap en religie scheidt. Krishnamurti zei dat in het religieuze denken het wetenschappelijke denken besloten ligt, maar dat in het wetenschappelijke denken niet het religieuze denken besloten ligt. Daar moet je goed over nadenken.

 

Vertaling LG