TVN Home » Tijdschrift Theosofia » 2005 » Februari » Vragen en antwoorden
Post image for Vragen en antwoorden

Vragen en antwoorden

Dit artikel is het tweede deel van een zitting van de Internationale Conventie van de TS, Adyar, 2002, met mevrouw Radha Burnier, dr. John Algeo en mevrouw Mary Anderson.

Vraag 1:
Als er sprake is van cultureel vandalisme, bijvoorbeeld gedwongen religieuze bekeringen, hoe kunnen wij dan mensen op een theosofische manier tegen zulke aanvallen verdedigen?

MA. Door er op een vreedzame manier tegenin te gaan. In een gesprek kunnen wij erop wijzen dat alle religies hun positieve aspecten kennen en uiteindelijk van dezelfde bron afkomstig zijn. Afgezien van wat we in de persoonlijke omgang doen, kunnen we helpen door ingezonden brieven aan kranten en ook door onze gedachten. Ik vind dat we niet op een agressieve manier over die mensen moeten denken, en geen vijandige gevoelens moeten koesteren jegens hen die vandalisme begaan of met geweld bekeringen willen afdwingen.

RB. Ik vraag me af waarom we van tijd tot tijd bepaalde kreten hanteren. Na de verschrikkelijke aanval op het WTC – die men een daad van terrorisme noemde – sprak iedereen ter wereld over het terrorisme, alsof alleen dit type geweld laakbaar is. Ook al zijn er vele vormen van geweld in de wereld, toch wil het denkvermogen zich op slechts één ervan richten. Precies zo werd bekering hèt gespreksonderwerp in India. Een bekend commentator heeft in een krantenartikel de aandacht gevestigd op de vernederingen waaraan bepaalde bevolkingsgroepen in India, vooral arme mensen, onderworpen worden. Als zij trachten hun waardigheid terug te krijgen door een andere godsdienst aan te nemen, in de hoop voordelen te verkrijgen die hen ontgaan zijn, dan zijn er altijd wel mensen op uit om hen te exploiteren. Als wij een maatschappij hadden met meer gelijkheid, dan zouden dergelijke mensen misschien niet overgaan tot bekering.

14        Theosofia 106/1 · februari 2005

Er zijn vele soorten aanslagen – bijvoorbeeld die van de televisie en andere massamedia waar miljoenen mensen aan denken. Zij worden voortdurend belaagd door vulgair gedrag, geweld op het scherm en advertenties die een beroep doen op hun hebzucht. Waarom bekommeren wij ons daar niet om, maar alleen maar om een paar mensen die zich bekeren? Zij zouden vrij moeten zijn om zich al of niet te bekeren. Alleen als er geweld gebruikt wordt dan moet er een of andere vorm van actie ondernomen worden. Zelfs dat raakt de gemiddelde man op straat niet op een wijze zoals de aanslagen van de media dat doen. Laten wij onze blik verruimen en eens kijken hoe geweld het denkvermogen beïnvloedt, hoe het geconditioneerd raakt, hoe we alles gaan nadoen en laten we niet al deze problemen gaan terugbrengen tot één probleempje. Misschien vinden we een oplossing voor dat kleine probleempje, maar daarmee is het grote probleem nog niet de wereld uit.

JA. Ofschoon deze zaak onlangs in de kranten geweest is, is zij in feite niet nieuw. Iets meer dan 120 jaar geleden, toen mevrouw Blavatsky en kolonel Olcott naar India kwamen, bestond er een soortgelijke situatie en zij besloten er op hun eigen manier tegen in te gaan. Hun manier bestond er voornamelijk uit te benadrukken wat een oeroude en gedistingeerde en bijzonder inzichtelijke religieuze en filosofische traditie India zelf heeft, zodat, als mensen overtuigd zijn van de waarde van hun eigen manier van leven en hun eigen religieuze traditie, zij geen behoefte hebben om zich te bekeren tot een andere religieuze traditie. Als ze dat willen, dan is dat hun keuze. Maar het belangrijkste is dat men zich bewust is van de waarde van iedere religieuze en filosofische en culturele traditie ter wereld, omdat ze allemaal hun eigen waarde hebben. Er bestaan in India religieuze en filosofische tradities van hoge ouderdom en groot inzicht en waarde – niet alleen voor India, maar voor de hele wereld. Dit feit te erkennen is een manier om positief te reageren op zo’n soort uitdaging.

RB. Statistisch zijn mensen die zich bekeren over het algemeen arm. Waarom toch? Heel vroeger waren er Brahmanen die zich bekeerden tot het Christendom omdat er een aantal geniale Jezuïeten waren die een filosofie konden verkondigen die deze Brahmanen aansprak. Maar aangezien tegenwoordig de meeste mensen die zich bekeren tot het Boeddhisme, het Christendom of de Islam arm zijn, zouden wij het armoedeprobleem moeten aanpakken, daar echt aandacht aan moeten besteden. Als er in dit land geen armoede bestond, zouden er misschien nauwelijks bekeringen plaatsvinden. Wat doen wij daaraan?

Vraag 2:
Zouden de leringen van Krishnamurti deel moeten uitmaken van loge- en groepsstudie binnen de TS? Zo ja, in hoeverre en voor hoeveel procent vergeleken met andere studies?

MA. Binnen het brede kader van de theosofie staat het de loges vrij te bestuderen wat zij willen. Als veel leden in een loge belangstelling hebben voor de leringen van Krishnamurti kunnen zij die bespreken en beslissen in hoeverre zij die willen bestuderen. Maar afgezien daarvan zijn er veel onderwerpen binnen de leringen die wij hebben zowel als in de geschriften van Krishnamurti die met succes naar voren gebracht kunnen worden in discussies over veel andere onderwerpen. Ik denk niet dat men dit precies kan formuleren en kan zeggen welk percentage van de studie gewijd zou moeten zijn aan Krishnamurti. Zelfs zonder Krishnamurti te noemen kan veel van wat Krishnamurti gezegd heeft als discussiemateriaal dienen.
JA. Ik ben het eens met wat Mary gezegd heeft. Natuurlijk mogen individuele mensen bestuderen wat zij zelf willen. Dat is het recht van alle leden en dat is een bijzonder belangrijk kenmerk van de TS. Wij moeten dit steeds verdedigen en het recht van het individu handhaven om te geloven en te overdenken wat hij of zij maar wil, binnen de beperkingen van de drie doelstellingen van de Vereniging en hun toepassing in de praktijk. Wat belangrijk is zijn theosofische ideeën, en niet de mensen die dat gezegd hebben. Mevrouw Blavatsky gaf duidelijk te kennen dat niemand haar woorden hoefde te accepteren alleen omdat zij iets gezegd had. Zij zei wat zij geloofde, wat haar onderwezen was, wat zij geleerd had. En zij zei veel wonderbaarlijke dingen. Maar het zou vervelend zijn als een theosofische loge zou besluiten alleen het werk van mevrouw Blavatsky te bestuderen en niets anders. Het zou vervelend zijn als een theosofische loge zou besluiten alleen het werk van Annie Besant te bestuderen en niets anders, ofschoon Annie Besant een vrouw was van grote wijsheid en grote moed: zij was een groot voorbeeld voor ons. Het zou vervelend zijn als een theosofische loge zou besluiten alleen de Joodse Kabbala te bestuderen en niets anders. Het zou vervelend zijn als een theosofische loge zou besluiten om alleen maar de Bhagavad Gita te bestuderen en niets anders, ook al is de Bhagavad Gita een belangrijke spirituele gids, niet alleen voor India, maar voor de hele wereld.

Theosofia 106/1 · februari 2005        15

Wij zouden ons niet moeten beperken tot een enkele benadering van de waarheid, want de waarheid is een kostbaar goed met een veelheid aan aspecten, en wij kunnen alleen zien wat de waarheid is door haar op zoveel mogelijk manieren te benaderen. Zoals Sri Krshna zei in de Gita, langs welke weg mensen mij ook benaderen, zo zal ik hen aanvaarden, want alle wegen leiden tot mij. In zoverre dat als we monopolisten worden, of dat exclusivisme nu het exclusivisme is van mevrouw Blavatsky of van Annie Besant of van Krishnamurti of van de Kabbala of de Gita of wat dan ook – in zoverre heeft de TS gefaald in haar roeping. De roeping van de TS is de waarheid te erkennen, waar deze ook vandaan komt, door wie ze ook wordt uitgesproken en zich niet te richten op een of ander specifiek soort waarheid in termen van haar culturele of bijzondere oorsprong.

Er is een theosofische traditie van het benaderen van de waarheid, een traditie die geïllustreerd wordt in de geschriften van de grote theosofen: mevrouw Blavatsky, kolonel Olcott, Annie Besant en anderen. Iedere studie waarmee de theosofische loges zich bezighouden zou aangegaan moeten worden binnen die traditie. Wij zijn niet alleen een organisatie die een forum aan anderen biedt. Wij hebben onze eigen identiteit, onze eigen missie en wij moeten trouw blijven aan onze traditie bij alles wat we doen.

RB. Ik zou om te beginnen de bewering van Mary Anderson willen aanvullen, dat de loges vrij zijn om te bestuderen wat ze willen. Zij zijn niet onvoorwaardelijk vrij; zij zijn vrij binnen bepaalde beperkingen. De individuele leden zijn niet onderworpen aan voorwaarden: zij kunnen dwaze dingen bestuderen als dat ze aantrekt. Maar loges mogen geen materiaal bestuderen dat de principes van de theosofie geweld aandoet, zoals racistische geschriften. Ik heb onlangs een stukje in The Theosophist geschreven over een racistisch boek dat in Italië is uitgegeven door een journaliste, waarvan direct na publicatie meer dan een miljoen exemplaren verkocht werden. Om nog een voorbeeld te geven: er is misschien literatuur die de uitbuiting van dieren voorstaat. Loges zouden al dat soort dingen niet moeten bestuderen, omdat dat ingaat tegen de eenheid van alle leven, het theosofisch basisprincipe van universaliteit.

Zelfs als we maar weinig over theosofie weten, dan weten we wat de Meester gezegd heeft over verlichting. Hij legde uit dat hun geheimen geheim zijn gebleven, niet omdat zij niet bereid zijn die geheimen te onthullen, maar omdat maar weinig mensen in staat zijn ze te begrijpen. Een Einstein kan zijn kennis niet overbrengen aan een schoolkind: dat moet wachten tot hij veel verder ontwikkeld is. Het is een van de fundamenten van de TS om persoonlijke verering niet aan te moedigen, noch blind geloof of afhankelijkheid van een ander – deze dingen hangen allemaal met elkaar samen.

16        Theosofia 106/1 · februari 2005

Ik ben het helemaal eens met John dat een loge niet uitsluitend gericht kan zijn op het werk van Krishnamurti, Blavatsky of de Bhagavad Gita of wat dan ook. Als er boeken bestaan die afhankelijkheid voorschrijven, persoonsverering, blind geloof, die het denkbeeld propageren dat de waarheid slechts van één leraar of bron komt, dan zijn die niet geschikt voor bestudering binnen theosofische loges. Krishnamurti zelf was tegen afhankelijkheid. Hij zei: laat u niet door mij hypnotiseren; denk hier zelf over na. Hij concentreerde zich grotendeels op zelfkennis, hetgeen grote implicaties heeft. Dat deden ook HPB en ander belangrijke theosofen. Krishnaji was zich er wel van bewust dat het noodzakelijk is een breed veld te bestrijken en dat men zijn eigen intelligentie moet gebruiken om de waarheid te ontdekken. Eens, lang geleden, kwam een TS-lid bij Krishnaji en vroeg hem: ‘Denkt u niet dat een studie van de theosofie mensen helpt u beter te begrijpen?’ Krishnaji zei, ‘Ja, maar wilt u altijd in de laagste klas blijven?’ Krishnamurti had grote waardering voor mensen die andere dingen bestudeerden en hij besprak gewoonlijk interessante punten met hen. Er zijn videoprogramma’s van zijn discussies met Walpola Rahula, een zeer geleerde boeddhistische monnik; met een jezuïtenpriester; met wetenschappers enzovoorts. Het denkvermogen moet breedte hebben en ook diepte om tot waarheid te kunnen komen. Dus als wij ons alleen maar op Krishnamurti concentreren, komen we niet ver in de richting van Krishnamurti. Een verbreden en verdiepen van het hart, van het begrijpen en van de intelligentie moet plaatsvinden door studie en op vele andere manieren, zelfs door wat te tuinieren.

JA. Eén van Radha’s opmerkingen herinnerde mij aan iets dat relevant is voor dit punt. Er was eens een Amerikaanse theosoof, genaamd Frank Baum, die een kinderboek geschreven heeft, The Wonderful Wizard of Oz, dat velen van u zullen kennen. In dat boek komt een man voor die zogenaamd de tovenaar van Oz is en die alles kan. Dus gaat de heldin, Dorothy, die is weggeblazen van haar huis door een tornado naar het vreemde land Oz, hem opzoeken om erachter te komen hoe ze weer thuis kan komen. Ze brengt haar drie metgezellen mee, die ze in Oz heeft leren kennen. Ieder van hen ontbreekt het aan iets, namelijk aan kennis, gevoel en moed om te handelen. Ieder van hen vraagt de tovenaar om hen te geven wat zij het meest verlangen. Tenslotte doet de tovenaar dat, maar wat hij hun geeft zijn alleen maar symbolen en niet de werkelijkheid. De man die het aan intelligentie ontbreekt, geeft hij een diploma, de man die geen hart heeft geeft hij een speldenkussentje in de vorm van een hartje. De man die het aan dapperheid ontbreekt geeft hij een flesje met vloeistof waaruit hij af en toe een slokje moet nemen. Wanneer Dorothy en haar metgezellen vertrekken, blijft de tovenaar alleen achter, in gedachten verzonken. Hij heeft laten zien dat hij helemaal geen echte tovenaar is, maar slechts een bedrieger, een oplichter, die geen wonderen kan verrichten. Hij is in feite alleen maar een ballonvaarder die per ongeluk in het wonderbaarlijke land van Oz terechtkwam. Hij zegt bij zichzelf: ‘Hoe kan ik het helpen dat ik een bedrieger ben als al die mensen me dwingen dingen te doen waarvan iedereen weet dat het niet kan?’ Dat wil zeggen, mensen willen dat de tovenaar dingen voor ze doet die zij alleen voor zichzelf kunnen doen. Tovenaars, goeroes of leraren zijn bedriegers als wij van ze verwachten dat ze voor ons doen wat wij alleen zelf kunnen doen. Dus wij moeten ons niet richten op de persoon van de leraar, maar op wat wij zelf kunnen leren van de leringen. Alle grote leraren vertellen ons dat. Robert Ellwood, een van onze Amerikaanse leden die zelf een goede leraar is, heeft eens gezegd dat het doel van elke leraar is de leerling onafhankelijk te maken van de leraar. Dus wij moeten ons richten op de boodschap van de leraar en niet op de specifieke persoonlijkheid en karaktereigenschappen van de bron van die boodschap.

Theosofia 106/1 · februari 2005        17

Vraag 3:
Wat is de echte betekenis van ahimsa?

RB. De letterlijke betekenis van himsa is kwetsuur, verwonding, geweld. Ahimsa is het zich onthouden van het veroorzaken van letsel. Er zijn ook geïmpliceerde betekenissen. In hoeverre is het mogelijk om zich in deze fysieke wereld te onthouden van het toebrengen van letsel? Hoe en waarom kwetsen wij? Niet noodzakelijk door verwondingen toe te brengen met fysieke instrumenten. De Yoga-Sutras en andere boeken maken ons duidelijk dat ahimsa ook betekent het vermijden van indirect letsel. Als wij shampoo kopen of enig ander product dat getest is op de ogen van arme kleine dieren,  veroorzaken wij letsel (himsa). Als wij onverschillig toekijken wanneer anderen leed toebrengen is dat ook himsa en niet ahimsa. Dus wordt er een grote verantwoordelijkheid aangeduid met het woord ‘ahimsa’. Bovendien wordt leed niet alleen op het fysieke vlak toegebracht. Wanneer wij roddelen, kwetsen wij; wanneer wij slechte dingen denken van een ander is dat kwetsend. Dus we moeten ervoor waken anderen letsel toe te brengen. Ahimsa kan ook een positieve toestand zijn die we moeten ontdekken – een stroom vrede en goedheid van binnenuit, waardoor het totaal van wreedheid en onverschilligheid in de wereld verminderd wordt. De ruimere betekenis van ahimsa is positief liefhebbend te zijn, vredevol, en harmonieus.

JA. Het vraagstuk van ahimsa is een heel moeilijk probleem, want als wij de letterlijke betekenis bezien, betekent het: geen schade berokkenen, niet kwetsen. Maar in feite leeft alles in het universum. Dat is de fundamentele theosofische grondgedachte en als gevolg daarvan is het onmogelijk dat een wezen leeft zonder dat dit ten koste gaat van andere levende wezens. Zo zit de wereld nu eenmaal in elkaar. Dus is een leven in volledige ahimsa eenvoudig onmogelijk. Betekent dat dus dat we alles kunnen doen wat we willen zonder ons te bekommeren om de gevolgen daarvan? Natuurlijk niet. We moeten het eerste vereiste voor het Pad in Aan des Meesters Voeten voor ogen houden: onderscheidingsvermogen. Wij moeten zorgvuldig de effecten van ons handelen overdenken en datgene doen wat de minst slechte gevolgen heeft. Dit nu is de les van Arjuna in de Gita, waar hij geconfronteerd wordt met een probleem. Wat hij daarmee ook gaat doen, het zal verkeerd zijn. Dus hij moet er achter zien te komen wat het beste is, het minst kwalijke in de situatie waarin hij zich bevindt. Maar er zijn ook twee andere implicaties van het feit dat wij als levende wezens van andere levende organismen leven. Eén daarvan is dat wij het mogelijk moeten maken dat mensen leren wat de gevolgen van hun handelingen zijn, zodat zij zelf onderscheidingsvermogen kunnen hanteren bij wat ze doen. Het andere is dat wij een zekere mate van tolerantie moeten betrachten inzake verschillen van inzicht over wat het minst kwalijk is om te doen.

In sommige zaken, zoals die welke Radha noemde, is dat geen punt. Het is zinloos om cosmetica te gebruiken die ontwikkeld is door het martelen van dieren. Dat is duidelijk een absolute zonde. Maar er zijn vele andere punten waarover verschillen van mening bestaan, zoals eten. Wat eten wij? Het eten van vlees veroorzaakt overduidelijk dierenleed, dus velen van ons vinden dat dit verkeerd is. Maar waar trekken wij de grens waar het eten betreft? Er is een groot scala van dingen die  men kan eten en in alle gevallen eet men leven. Dus, waar leggen wij de grens? Velen van ons die hierover nagedacht hebben, hebben de grens op een andere plaats getrokken. Vanwege die verschillen moeten wij tolerantie ontwikkelen voor variaties in zulke morele oordelen. Ahimsa is enorm belangrijk, maar ook enorm ingewikkeld.

RB. Misschien moeten wij uiteindelijk leren niet van andere levensvormen te leven. Dan zou het hele evenwicht in het universum misschien veranderen. In een oud boek genaamd The Dream of Ravana, een symbolische roman die naar men zegt geschreven is door de Meester KH en die voor het eerst werd uitgegeven in The Dublin Magazine, is sprake van vata-bhaksha’s, mensen die leven van lucht; die ons soort eten niet hoefden te eten. De informatie verstrekt door Samdhong Rinpoche is dat er mensen zijn in Tibet – als de communisten hen tenminste in leven gelaten hebben – die hoog de bergen in trekken om te mediteren. Terwijl zij daar enkele maanden of weken doorbrengen, op rotsplateaus, hebben zij niet te lijden van wind of koude, noch van honger of dorst. Wij kennen ook verhalen van yogi’s die zich afzonderen in grotten en na lange tijd zonder eten terugkeren. Dit zijn geheimen die wij niet kennen. Misschien moeten wij allen eens die geheimen ontdekken en niet langer afhankelijk blijven van andere levensvormen.

18        Theosofia 106/1 · februari 2005

Uit: The Theosophist, mei 2003
Vertaling: A.M.I.

Meer gegevens over H.P. Blavatsky’s eerste verblijf in
India werden onthuld in een brief aan vorst Dondoekov,
waarin ze spreekt over haar leraar:

‘In Engeland heb ik hem slechts twee keer gezien en bij
ons laatste gesprek zei hij tegen mij: ‘Je bestemming ligt
in India, maar later, over achtentwintig of dertig jaar.
Ga er [nu] heen om het land te zien.’ Ik kwam er – waarom,
ik weet het niet! Het was alsof ik droomde. Ik bleef er bijna
twee jaar, reisde er rond en elke maand ontving ik geld –
ik heb geen idee van wie, en ik volgde nauwgezet de reisroute
die mij werd opgegeven. Ik ontving brieven van deze hindoe,
maar gedurende die twee jaar heb ik hem geen enkele
keer gezien. 37.’

Cranston, p.51