TVN Home » Tijdschrift Theosofia » 2006 » Augustus » De verborgen zijde van het logewerk, Paul Zwollo

De verborgen zijde van het logewerk, Paul Zwollo

Het thema ‘De verborgen zijde van het logewerk’, suggereert in feite dat aan de activiteiten die een theosofische loge organiseert tevens een ongeziene kant zit.  Het zou vreemd zijn als dat niet het geval zou zijn.

Want theosofie heeft ons vertrouwd gemaakt met het bestaan van de Wet van Karma, die zowel in de macrokosmos als in de microkosmos werkzaam is. Deze wet komt er op neer dat alle handeling, uiterlijk en innerlijk, zichtbaar en onzichtbaar, zekere gevolgen met zich meebrengt.

Dat zal dus ook het geval zijn als een aantal mensen samenkomt om met elkaar van gedachten te wisselen over onderwerpen die direct of indirect met de Drie Doeleinden van onze vereniging te maken hebben.

In de bijbel komen wij al de uitspraak tegen: ‘Waar twee of drie mensen in mijn naam samenkomen, ben ik in hun midden’. Hierop parafraserend zouden we dus kunnen zeggen: ‘Waar twee of drie leden van de Theosofische Vereniging bijeen zijn, zal ook de gedachte van theosofie en universele broederschap de achterliggende gedachte zijn en centraal staan’. Ik denk dat wij van deze gedachte uit kunnen gaan.

Het is in elk geval niet de bedoeling dat wij een gewone vrijblijvende discussieclub worden. Uiteraard mogen wij allemaal onze eigen mening hebben en deze naar voren brengen, maar onze spirituele verbondenheid met al wat leeft, zoals de theosofie dat aangeeft, en deze openlijk naar voren brengen, zou toch de leidende gedachte bij ons werk moeten zijn.

In het kader van Adyar-dag sprak de Annie Besant Loge in Naarden over bovenvermeld thema. Paul Zwollo was een van de inleiders.

Paul Zwollo in het archief van de Theosophical Society in Adyar, India, voor de kast met via fenomenen naar voren gebrachte voorwerpen, met in zijn handen de beroemde 13e kop en schotel die H.P. Blavatsky bij een picknick naar voren bracht.

150        Theosofia 107/4 · augustus 2006

Hoe dit alles precies uitwerkt in ons eigen leven en in onze omgeving, is moeilijk te doorgronden. Wellicht dat het woord verborgen’ in de titel van het thema daar ook op wijst. De intentie van ons samenkomen dient te stroken met waar onze vereniging voorstaat: universele broederschap in de ruimste zin van het woord. Wij kunnen niet anders dan ons best doen en vervolgens de gevolgen overlaten aan de ongeziene krachten en wetten die het heelal besturen.

Er is wel opgemerkt dat de titel van het Opus Magnum van mw Blavatsky, De Geheime Leer, eigenlijk niet helemaal juist is, maar beter had kunnen luiden ‘De Verborgen Leer’. Want veel wat zij naar voren brengt is te vinden, zij het niet altijd makkelijk, in boeken en geschriften die verspreid zijn over de hele wereld en dus niet specifiek ‘geheim’. Maar men dient er wel moeite voor te doen om het te vinden: werkelijk esoterische kennis ligt nu eenmaal niet voor het oprapen. Ik denk dat om die reden leden van de Theosofische Vereniging ook wel ‘zoekers naar waarheid’ worden genoemd.

Dat alle gedachten, gevoelens, woorden en daden consequenties met zich mee zullen brengen staat wel vast. Ik denk dat niemand daaraan twijfelt. Het bij elkaar komen met goede intenties staat natuurlijk voorop. Het is om die reden dat wij lid van de Theosofische Vereniging zijn geworden. Het bij elkaar komen in een theosofische loge is daar een logisch gevolg van.

‘De verborgen zijde van ons logewerk’, misschien zouden we beter kunnen zeggen ‘De verborgen gevolgen van ons logewerk’, heeft dus alles te maken met onze motivatie; onze intentie om de uitgangspunten van theosofie serieus te nemen en te proberen ze in ons leven te verwerkelijken. Dat is onze verantwoordelijkheid die we vrijwillig op ons hebben genomen. Ons lidmaatschap is niet een vrijblijvend iets, er van uitgaande dat we onszelf serieus nemen.

Als wij  met elkaar in alle ernst met theosofie bezig zijn, zullen de resultaten misschien niet langer ‘verborgen’ blijven, maar zich in ons eigen leven openbaren en daarmee ook in onze omgeving.

Maar zelfs als we niet direct resultaten opmerken, kunnen we er van overtuigd zijn dat een en ander toch doorwerkt in ons leven. De factor tijd speelt hierin een niet onbelangrijke rol. Het kortetermijndenken dienen wij dan ook op te geven.

Ik denk dat we dit alles niet los kunnen zien van het feit dat een loge deel uitmaakt van een netwerk van loges in het hele land en deel uitmaakt van een nationale afdeling die op zijn beurt weer een onderdeel uitmaakt van een wereldnetwerk van landelijke afdelingen, met elkaar de internationale Theosophical Society vormend. Deze geestelijke verbindingslijnen zijn denk ik erg belangrijk, want het is daardoor dat wij beter in staat zijn de boodschap van onze spirituele voorgangers als Blavatsky en de Meesters van Wijsheid door te geven.

In een van de Mahatma Brieven wordt opgemerkt dat de leden van een theosofische studiegroep, opdat deze zinvol is, dienen op te treden als de vingers van één hand. Ondanks de verschillen van mening die vanzelfsprekend onvermijdelijk zijn, zullen toch steeds onze gemeenschappelijke idealen de overhand moeten hebben; de bereidheid tot samenwerkin g en het

respect hebben voor de mening van onze medeleerlingen. Wij blijven allen leerlingen van de oude wijsheid, de Perennial Wisdom, de theo-sophia, de goddelijke wijsheid.

Onze uitgangspunten zijn niet alleen idealistisch, maar hoog verheven: universele broederschap. Te hoog wellicht voor ons gewone mensen? Het schept uiteraard verplichtingen die wij door het aanvaarden van ons lidmaatschap onderschreven hebben. Hebben wij ons daar wel voldoende rekenschap van gegeven? Op het moment van ons lid worden, en ook de vele jaren daarna?

De verborgen zijde van ons logewerk zal dus voor een groot deel afhangen van de mate waarin wij met elkaar studeren en al studerende tot groter inzicht komen; en tot groter inzicht komende, dit inzicht in ons leven kunnen onderbrengen en zo onze omgeving en daarmee de wereld vooruit helpen.

Theosofia 107/4 · augustus 2006        151

Uitgaande van het feit dat theosofie uitgaat van ‘ de eenheid van alle leven’ e n dat alles met elkaar samenhangt, volgt hier tevens uit dat ieder onderdeel van dat ‘ene leven’ invloed heeft op het geheel en dat ieder zijn bijdrage zal moeten leveren. Kortom, niemand kan gemist worden. Van ieder lid wordt verwacht dat hij zijn steentje bijdraagt voor een ‘wereldbroederschap in wording’.

De verborgen zijde van het logewerk heeft denk ik alles te maken met het feit dat er achter alle verschijnselen een realiteit schuil gaat; een realiteit waarvan we ons gewoonlijk niet bewust zijn, maar die er wel degelijk is. Of we deze realiteit gewaar zijn of niet, doet niet zoveel ter zake, maar zij is er. Het kan ons misschien helpen om bij al ons doen en laten meer bewust te zijn, omdat we weten dat alles zijn gevolgen heeft. Er gaat dus niets verloren, noch van onze goede, noch van onze minder goede daden, gevoelens en gedachten. Laten we ons daar terdege bewust van zijn. In die zin kan het ons meer oplettend maken en voorzichtiger doen zijn in ons optreden. Dat kan een meer menslievende samenleving alleen maar ten goede komen.

Bij dit alles is het wellicht goed dat wij ons realiseren dat de stoot tot het oprichten van de Theosofische Vereniging is uitgegaan van twee Meesters van Wijsheid: de innerlijke Oprichters van de Vereniging. Blavatsky, Olcott en een aantal anderen waren de uiterlijke Oprichters.

Het is waarschijnlijk om die reden dat de slotzin van de laatste Brief van de Meester KH aan Annie Besant in het jaar 1900 (zie Theosofia nummer 6 van 1999, blz. 221 en 222) als volgt luidde:

‘We are watching over you but you must put forth all your strength’.

‘We zullen over jullie waken maar jullie zullen je volledig moeten inzetten’.

Schept deze uitlating van de Mahatma geen verplichtingen? Als we daar met elkaar aan willen en kunnen voldoen, behoeven wij ons geen zorgen te maken over ‘De verborgen zijde van ons logewerk’. Die zal er dan ongetwijfeld zijn, ten goede wel te verstaan!

Het past de Theosoof met z’n hoofd in de wolken te verkeren, mits hij stevig met beide benen op de grond staat
en zijn hart van liefde vervuld is.
Alleen dan kunnen zijn handen zich wijden aan zinvolle dienstbaarheid; dienstbaarheid die noch praktisch maar ongeïnspireerd is, noch geïnspireerd maar onpraktisch. Alleen zo’n iemand, die hemel en aarde met zijn begrip omvat,

kan op onfeilbare wijze de triomferende toekomst
naar het gekwelde heden halen.

Corona Trew en E. Lester Smith