TVN Home » Tijdschrift Theosofia » 2006 » Februari » Het Licht van Buddhi, I.K. Taimni
Post image for Het Licht van Buddhi, I.K. Taimni

Het Licht van Buddhi, I.K. Taimni

De overgrote meerderheid van ons is zich er helemaal niet van bewust dat we hier op aarde slechts kortstondig zijn en een onbetekenend deel vormen van een uitgestrekt en schijnbaar ongelimiteerd universum. Een insect dat in de Himalaya rondkrabbelt heeft uitsluitend vanuit fysiek standpunt verhoudingsgewijs meer te betekenen. We treden dit leven binnen door de poort van de geboorte en na onder allerlei omstandigheden ongeveer zeventig jaar op deze planeet te hebben doorgebracht, verdwijnen we door de poort van de dood.

Dit komen en gaan van levende wezens is al duizenden jaren gaande en toch komt het bij veel mensen niet op, om zich de vanzelfsprekende vragen te stellen waar we vandaan komen, waar we heen zullen gaan en waartoe we hier op aarde zijn. Onze levensvreugde, hetzij plezierig, hetzij onplezierig, het opgaan in de interesse die we ontwikkeld hebben, neemt ons zo in beslag dat we zelfs geen besef hebben van het omvangrijke probleem van het leven waarmee we voortdurend geconfronteerd worden en dat ons als een overweldigend mysterie omgeeft.

Niet alleen jagen we op een willekeurige manier onze kleine persoonlijke doeleinden na in een ogenschijnlijk betekenisloze wereld, maar we tonen hetzelfde gebrek aan intelligentie wanneer we omgaan met het veelomvattender probleem van de mensheid. Er is een volledig gebrek aan leidinggevende principes of ideeën die de richting aangeven die we moeten gaan. Er bestaat een vaag idee dat we het welzijn van de mensheid moeten bevorderen, maar wat welzijn in werkelijkheid betekent en hoe het verkregen kan worden, zijn vragen waarover een scherpe tegenstelling bestaat en waarover een enorm conflict heerst. Zozeer zelfs dat we al klaar staan om in een atoomoorlog het overgrote deel van juist die mensheid te vernietigen, voor wier verbetering we verondersteld worden te moeten werken en vechten! Zou er een beter voorbeeld van dit heersende gebrek aan intelligentie kunnen bestaan, ondanks de buitengewone intellectuele prestaties van de wetenschap en het ongetwijfeld hoge niveau van hen die leiding geven aan de bestemmingen van naties?

Dr. I.K. Taimni was professor in de Scheikunde aan de Universiteit van Allahabad, een grondig bestudeerder van Kashmir Saivism, en bezat een diepgaande kennis van Theosofie.

16        Theosofia 107/1 · februari 2006

Velen van ons, die in de zoektocht naar geluk deze tijdelijke doeleinden met geheel hun hart najagen, weten theoretisch dat deze zoektocht vergeefs is en dat werkelijk geluk slechts binnen in zichzelf gevonden kan worden door het bewustzijn naar hogere niveaus te verheffen en geleidelijk aan de illusies en beperkingen van het lagere leven te transcenderen. Maar nog steeds doen we niets om de noodzakelijke veranderingen in ons leven tot stand te brengen. Volgens de wijzen ligt de reden voor dit afwijkende gedrag in het feit dat de waarneming van de diepere waarheden van het leven en de innerlijke betekenis van zelfs de gewone dingen waarmee we dagelijks in contact komen niet afhangt van redeneren of van het uitoefenen van het lagere denkvermogen, maar van het hogere spirituele vermogen dat buddhi wordt genoemd en waarnaar in de westerse psychologie vaag wordt verwezen als intuïtie. Het intellect kan kennis hebben van alle werkelijkheden, maar tenzij en totdat het verlicht wordt door het licht van buddhi, zal het niet de dieper gelegen betekenis inzien. Daarom verschilt de houding van de filosofen die elke dag over de meest diepgaande vraagstukken des levens spreken niet duidelijk van de houding van de man in de straat. Daarom kunnen de wetenschappers die dagelijks de hemel afspeuren en de verste uithoeken van dit onmetelijke universum onderzoeken niet de onbeduidendheid van ons menselijk leven inzien vanuit het zuiver materiële standpunt. Daarom treffen we zoveel godsdienstleraren aan, die de Vedãnta aan hun volgelingen verkondigen en hun leven leiden alsof deze filosofie uitsluitend een academische aangelegenheid was. Deze mensen schijnen alles te weten en toch in werkelijkheid niets te weten. Hun kennis ligt slechts op het verstandelijke vlak. Het vermogen van buddhi is nog niet ontwikkeld of nog niet in staat om in voldoende mate te functioneren. Hun kennis is nog niet veranderd in bewustwording door het licht van buddhi.

Dit gebrek aan innerlijke perceptie is niet het enige gevolg van de verduistering van het vermogen van buddhi. Wanneer dit vermogen, door slechte eigenschappen en handelingen, in hoge mate kan gaan sluimeren, kan dit, vanuit psychologisch standpunt gezien, verschijnselen tot gevolg hebben, die heel verbazingwekkend lijken. We komen gewoonlijk normale en heel verstandige mensen tegen, die zich in bepaalde aangelegenheden als krankzinnigen gedragen. Het blijkt dat er een opmerkelijk intellectueel bereik van spirituele waarheden bestaat, naast morele verdorvenheden van de ergste soort. Het is moeilijk om dergelijke afwijkingen te begrijpen, tenzij we het verschil tussen het intellect en buddhi inzien. Al dergelijke zaken zijn te wijten aan afwijkingen in het functioneren van buddhi, wat tot stand is gebracht door een eenzijdige ontwikkeling van het verstand, of door toe te geven aan het zich geleidelijk laten afglijden naar een leven van slechte gewoontes.

Het licht van buddhi is niet alleen vereist om ons te behoeden voor het inslaan van de verkeerde weg in het leven of voor het vervallen tot een kwalijke levenswijze. Het is ook een vereiste op het gebied van sadhana of spirituele beoefening, wanneer we ons in volle ernst begeven in het goddelijk avontuur van Zelfrealisatie. Veel mensen geloven in alle oprechtheid dat alles wat zij moeten doen om zich van hun spirituele vooruitgang te verzekeren gelegen is in het vinden van een geschikte spirituele leraar of goeroe die hen in alles zal begeleiden en die voor hun spiritueel welzijn verantwoordelijk zal worden.

Werkelijk geluk kan slechts binnen in zichzelf gevonden worden door het bewustzijn naar hogere niveaus te verheffen en geleidelijk aan de illusies en beperkingen van het lagere leven te transcenderen.

Theosofia 107/1 · februari 2006        17

Maar het is een feit dat het daadwerkelijk betreden van het spirituele pad pas mogelijk is wanneer de aspirant zijn buddhisch bewustzijn voldoende heeft ontplooid om in zichzelf alle leiding te vinden die hij voor zijn spirituele vooruitgang nodig heeft. De leraar kan hem ondersteunen in zaken die van beslissend belang zijn of bij bijzondere gebeurtenissen, maar hij kan niet naast de leerling staan om hem bij elke moeilijkheid of beproeving bij te springen. Hoe meer vorderingen de leerling op het Pad maakt, hoe meer hij eigenlijk moet leren onafhankelijk te zijn van zijn leraar. Het licht op het Pad moet van binnenuit komen. Een dergelijk licht, dat het resultaat is van een gezond functioneren van het buddhisch vermogen, kan alleen dan van binnenuit komen, wanneer het denkvermogen door het leiden van een deugdzaam leven en het zich onderwerpen aan de zelfdiscipline van yoga, zoals dit in de Yoga-sutra’s (II, 28) onder de aandacht is gebracht, genoeg gezuiverd is:

Door beoefening van de bij elkaar horende yoga- oefeningen ontstaat bij het teniet gaan van onzuiverheden de geestelijke verlichting, die zich ontwikkelt tot gewaarzijn van de werkelijkheid.

Dit licht, dat in wezen de aard van geestelijk gewaarzijn is, stelt de aspirant in staat het Pad van Heelheid te volgen. Het leidt hem door de verschillende stadia van de lange en moeilijke reis en beschermt hem tegen allerlei gevaren en verleidingen en het is weer dit licht dat hem in staat stelt de laatste sluier te verwijderen die het gezicht van de Geliefde verbergt. Zo heeft hij het licht van buddhi nodig vanaf het moment dat hij het Pad betreedt totdat hij de drempel van nirvana overschrijdt.

In wezen is waarheid zuiver en om het te begrijpen hebben we geen lastige uitleggingen, geformuleerd in duister taalgebruik, nodig. Niettemin is een scherp intellect vereist, vervuld van helderheid en zuiverheid, dat met het licht van buddhi de Waarheid in zichzelf kan weerspiegelen.

Iedereen die de uitgebreide Hindoeïstische religie en filosofie bekijkt kan onmiddellijk zien dat een aanmerkelijk deel niet meer is dan een geweldige hoeveelheid aangegroeide literatuur, die in de loop van duizenden jaren gevormd is rondom de kern van fundamentele en waarachtige waarheden. Bij het begin van elke spirituele beweging beschikken zij, die de drijvende kracht hierachter vormen, over tenminste enige rechtstreekse kennis van waarheden en zij proberen hieraan vorm te geven in verkorte, eenvoudige en veelbetekende taal. Deze literatuur dient slechts als het voertuig van de werkelijke waarheden die zij hebben ervaren en is een weerspiegeling van die waarheden, voor zover dit mogelijk is middels het ruwe en onvolmaakte medium van een taal. Met het verstrijken van tijd veranderen dingen. De plaats van hen die direct weten wordt ingenomen door hen die uit de tweede hand kennis hebben en door hen die nog maar studenten zijn, voor wie waarheid niet meer wordt dan een zaak van verstandelijke kennis en discussie. Terwijl zij het rechtstreekse contact met de werkelijkheden van de waarheden die zij bestuderen en uitleggen verloren hebben, worden zij steeds meer geïnteresseerd en betrokken in vragen over uitdrukking en interpretatie. Zo ontstaat er een grote hoeveelheid literatuur die kunstmatig geschapen is omwille van het bevredigen van het intellect. Een deel van deze literatuur heeft nog steeds enige waarde omdat het uitweidt over en tot op zekere hoogte dient voor het geven van een verklaring van de voornaamste waarheden. Maar veel hiervan heeft geen waarde, omdat er geen verband bestaat met de betrokken feiten. De onderzoeker met onderscheidingsvermogen kan middels zijn intuïtie de verschillende genres literatuur onderverdelen in wat van wezenlijk belang en wat onecht is.

Het daadwerkelijk betreden van het spirituele pad is pas mogelijk wanneer de aspirant zijn buddhisch bewustzijn voldoende heeft ontplooid om in zichzelf alle leiding te vinden die hij voor zijn spirituele vooruitgang nodig heeft.

18        Theosofia 107/1 · februari 2006

Bij het bestuderen van elk diepgaand onderwerp moeten we op de verschillende aspecten vanuit diverse oogpunten letten om voldoende greep te krijgen op het gehele onderwerp. Dit is niet makkelijk omdat, naarmate een onderwerp zich dieper bezighoudt met de problemen van het leven, het aantal aanrakingspunten met het leven en zijn manifestaties veelvuldiger is en het des te moeilijker wordt om het grondig te bestuderen. In werkelijkheid is het leven in wezen één en om daarom een aspect goed te begrijpen is, strikt genomen, de studie van alle andere oogpunten een vereiste. Het is waar dat men al de samenstellende delen moet kennen om kennis te hebben van het geheel, maar het is eveneens waar dat men bekend moet zijn met het geheel om elk onderdeel volledig te kennen. Alle dingen zijn met elkaar verbonden, hoewel we misschien niet in staat zijn om dit verband te onderkennen. Daarom namen Hindoe- wijzen niet de moeite om de natuurverschijnselen uitvoerig te bestuderen, zoals de moderne wetenschap dit doet. Zij wisten dat, hoe diepgaand onze studie van elk deel van het gemanifesteerde universum ook is, wij het nooit volledig en waarlijk kunnen kennen. Zij richtten zich op het Geheel, de onderliggende Realiteit, waarbij zij wisten dat de essentie en de werkelijkheid van alles, gezien in het juiste perspectief, gekend zou kunnen worden. Want iemand die het Geheel kent, heeft wezenlijke kennis van al de talloze samenstellende onderdelen en als het om de een of andere reden noodzakelijk wordt om de oppervlakkige details van een specifiek levensaspect te kennen, dan kan dit in feite heel makkelijk worden gedaan.

Het totale kenbare universum is de uitwendige uitdrukking van een transcendentale realiteit, die de zintuigen te boven gaat en die zelfs buiten de grenzen van het intellect staat. Deze Realiteit, waarnaar in gewoon taalgebruik wordt verwezen als “God”, manifesteert zich enerzijds als het onbezielde universum dat we overal rondom ons heen op verschillende gebieden bespeuren. Anderzijds manifesteert deze  Realiteit zich in de vorm van ontelbare individuele monaden (jivatma’s, Ganesha: de goddelijke geest in de gereïncarneerde mens), die in wezen van nature bewustzijn zijn en die beschouwd kunnen worden als actieve centra die deel uitmaken van die transcendentale Realiteit.

Deze eeuwige centra van goddelijk bewustzijn worden zich ervan bewust verwikkeld te zijn in het gemanifesteerde universum en spannen zich in om hun ware aard te verwerkelijken, gedurende een langdurige kringloop van evolutie die zich over een reeks van levens uitstrekt. Wanneer deze evolutie op zijn hoogtepunt is, beseft elke individuele monade dat hij goddelijk is, eeuwigdurend, onafhankelijk en in essentie één met de onderliggende Realiteit van het universum, en dat de doorgemaakte zorgen, het ondergane leed en het verrichte werk deel uitmaakten van een grote begoocheling die een noodzakelijk onderdeel vormt van het evolutieproces.

Het is niet nodig hier in te gaan op metafysische vragen. Wat is de aard van het universum en van de monaden? Waarom waren deze monaden aanvankelijk betrokken in dit wereldproces? Dit zijn interessante vragen, maar zij gaan in werkelijkheid het intellect te boven en kunnen daarom nooit naar tevredenheid met het verstand beantwoord worden. Dit zijn fundamentele vragen (atiprasna) die alleen  verklaard – of liever gezegd opgelost – kunnen worden  door Zelfrealisatie binnen de stilte en diepte van ons eigen bewustzijn. In elk geval houden we ons nu niet met deze vragen bezig. We zijn alleen maar geïnteresseerd in fundamentele en praktische vragen, zoals hoe deze monaden of centra van goddelijk bewustzijn, die ontdekken verwikkeld te zijn in lijden en begoocheling, zichzelf kunnen bevrijden van deze beperkingen en uit deze pijnlijke omstandigheden kunnen komen door een voortschrijdend proces van Zelfrealisatie.

Het totale kenbare universum is de uitwendige uitdrukking van

een transcendentale realiteit,
die de zintuigen te boven gaat en die zelfs buiten de grenzen van
het intellect staat.

Theosofia 107/1 · februari 2006        19

Een objectieve wetenschappelijke studie van de totale samenstelling van deze monaden en van de verborgen zijde van het gemanifesteerde universum door de methodes van yoga had het volgende aan de oude wijzen, waarvan velen vervolmaakte wezens waren (siddha-purusha’s), aangetoond: ofschoon iedere monade naar zijn wezenlijke en innerlijke aard niets meer is dan een centrum in het universele goddelijke bewustzijn, is de monade geassocieerd met materie van verschillende gebieden die zijn lichamen of kosha’s (Ganesha: één van de vijf omhulsels, voertuigen van de mens) vormen. Door deze lichamen functioneert het bewustzijn van de monade of jivatma op de respectievelijke gebieden van het gemanifesteerde universum, fysiek en bovenfysiek.

Ofschoon op de hogere spirituele gebieden de monade zijn ware aard beseft, die wordt aangeduid met de uitdrukking sat-chit-ananda (het zijn- bewustzijn-gelukzaligheid), beperkt en verduistert iedere afdaling in de lagere gebieden zijn bewustzijn in belangrijke mate. Daardoor zijn de beperkingen op het fysieke gebied, dat het laagste is, zo groot als maar mogelijk is en daarom is het besef van de goddelijke aard afwezig. Het totale menselijk wezen kan daarom het best beschouwd worden als een concentrische manifestatie van de Realiteit door middel van een reeks voertuigen waarvan de materie zich steeds meer verdicht, voertuigen die in toenemende mate het bewustzijn verduisteren en de vermogens beperken. Hoe deze voortschrijdende verduistering van bewustzijn plaatsvindt door het passeren van verschillende gebieden van materie kan met behulp van het volgende experiment, gebaseerd op het lichtverschijnsel, begrepen worden.

Als een lichtstraal door verschillende soorten materie gaat, zal achtereenvolgens  elk gebied van materie de sterkte van het licht doen afnemen en de samenstelling hiervan veranderen. Het licht dat tenslotte tevoorschijn komt, zal beïnvloed zijn door opname en vervorming van al de interveniërende materie zoals uit het onderstaande schema blijkt.

Op welke wijze kunnen we de wijzigingen die door de materie wordt voortgebracht minimaliseren? Door gewoon de onzuiverheden en de vervormingen die erin voorkomen te verwijderen. Verwijder door opname de rook uit de lucht, neem door chemische middelen kleur uit alcohol weg, verwijder bezinksel uit water door centrifugeren en verwijder vervorming uit glas door verhitten en langzaam laten afkoelen. Het licht dat tevoorschijn komt zal bijna zo helder en zuiver zijn als het oorspronkelijk was.

We kunnen ons voorstellen dat het hoogste bewustzijn van de monade hetzelfde meemaakt wanneer het door de materie van verschillende voertuigen stroomt. Als het bewustzijn uiteindelijk in de menselijke hersens verschijnt, is het dus grotendeels gewijzigd en door alle tussenliggende voertuigen verduisterd. Enkele wijzigingen en beperkingen horen bij het functioneren van bewustzijn door die respectievelijke voertuigen, terwijl andere veroorzaakt worden door onvolmaaktheden van de voertuigen, of door onzuiverheden of vervormingen teweeggebracht worden gedurende de loop van evolutie. De eerstgenoemde duren voort zo lang het bewustzijn belichaamd blijft; de laatstgenoemde kunnen verwijderd worden door spirituele oefeningen en beoefening van de zelfdiscipline van yoga.

glasalcoholwaterlucht
Vervormin- gengekleurde verfbezinkselstof en rook

Wanneer het proces van volmaking en zuivering voltooid is, kan bewustzijn door de voertuigen functioneren zonder verduistering en beperkingen, voor zover dit mogelijk is binnen de begrenzingen waarnaar in het bovenstaande is verwezen. Dit is innerlijke bevrijding, bereikt tijdens het fysieke leven (jivanmukti). Wanneer het bewustzijn de lagere voertuigen achter zich heeft gelaten, verdwijnt zelfs de laatstgenoemde soort beperkingen en is bevrijding buiten het lichaam (videhamukti) bereikt.

Aangezien bevrijding of verlichting beschouwd kan worden als een uitdrukking van bewustzijn, zonder in overwegende mate belemmerd of verduisterd te worden door de voertuigen, moeten de inspanningen om de toestand van verlichting te bereiken voornamelijk gericht zijn op de reorganisatie en zuivering van de voertuigen. Eigenlijk is zelfs het gewone bewustzijn, dat door de fysieke hersenen uitgedrukt wordt, ontleend aan het zuivere en volmaakte bewustzijn van Brahman. Daarom zijn alle uitdrukkingen van bewustzijn uitdrukkingen van Goddelijk Bewustzijn. Doch de beperkingen die door de lagere voertuigen op dit bewustzijn worden opgelegd zijn zo ingrijpend, dat er nauwelijks iets gemeenschappelijk is tussen de uitdrukkingen op de lagere en hogere gebieden van bewustzijn.

Daarom is het de eerste taak van de leerling (sadhaka) om niet te proberen verlichting te verwerven, maar om de drukkende verduisteringen, die door de voertuigen uit de lagere gebieden opgelegd worden, weg te nemen, zodat hij te werk kan gaan in het licht dat op de spirituele gebieden door de ijlste voertuigen heen straalt. Het is dit licht dat het licht van buddhi is. De leerling moet gedurende lange tijd in het licht van dit spirituele bewustzijn werken. Slechts wanneer het proces van zuivering en volmaaktheid is voltooid, is hij in staat de ijlste sluiers te doorbreken en verlichting te bereiken.

Uit hetgeen is gezegd volgt ook dat de bevrijding van de jivatma of monade een geleidelijk en voortschrijdend proces moet zijn en voor de leerling is het niet noodzakelijk om op resultaten te wachten tot het laatste stadium is bereikt. In feite beginnen veranderingen in het bewustzijn  te verschijnen, zodra een aanvang wordt gemaakt met het proces van zuivering en harmonisatie, ofschoon deze veranderingen zich niet hoeven te manifesteren in een vorm die de leerling verwacht of wenst. Om een voorbeeld te noemen: veel leerlingen verwachten visioenen en dergelijke te zien bij het in de praktijk beginnen te brengen van om het even wat. Maar doorgaans gebeurt zoiets niet. Alles wat de leerling waarschijnlijk ervaart is een innerlijke vrede en kracht, het ontluiken van een vermogen om de vraagstukken des levens in te zien, zijn begoochelingen te doorzien en een helderder kijk te verkrijgen op zijn zwakheden en dwaasheden. Soms, als er een grote mate van onzuiverheid verborgen is in de lagere voertuigen, kunnen de daarmee overeenkomende zwakheden tevoorschijn komen en de leerling kan zowaar een tijdelijke toename van geestelijke verwarring gewaarworden en achteruit gaan op moreel gebied. Maar als hij deze zaken als een vanzelfsprekendheid opvat en op intelligente wijze vastberaden op zijn doel afstevent, dan zullen deze wolken zeker geleidelijk  oplossen waardoor er meer licht doorheen kan schijnen.

Uit: The Theosophist, februari 2004

Vertaling: Ton van Beek