TVN Home » Tijdschrift Theosofia » 2006 » Februari » Wie is… Hans Gerding, onze nieuwe hoogleraar
Hans Gerding, Parapsychologie, theosofisch hoogleraar te Leiden

Wie is… Hans Gerding, onze nieuwe hoogleraar

(interview)

J vd P: Je bent directeur van het Parapsychologisch Instituut in Utrecht. Hoe ben je met de theosofie in aanraking gekomen?

HG: Al in het eerste jaar van mijn filosofiestudie in Amsterdam, meer dan dertig jaar geleden inmiddels, ging ik af en toe op zondagmorgen naar het Centraal Station. Daar werden lezingen gegeven over theosofie. Heel bijzonder vond ik dat, omdat ik daar dingen hoorde waarover op de colleges die ik aan de universiteit volgde, nauwelijks werd gesproken.

J vd P: Zoals wat bijvoorbeeld. Kan je daar iets meer over zeggen?

HG: Wat me aansprak was dat theosofen zich richten op een geestelijke werkelijkheid, die ook ervaren kan worden. Een ‘eye-opener’ was destijds voor mij dat er openlijk gesproken werd over inzichten die buiten het strikt wetenschappelijke en rationele denken werden verworven, en waarbij de oude wijsheidstradities verbonden werden met in het heden ervaarbare inzichten. Ik herinner me bijvoorbeeld een lezing over het oude Egypte waarin op die manier iets dat in de tijd ver weg is toch ineens heel dichtbij kwam.

J vd P: Had je voor je studententijd ook al interesse in de theosofie?

H G: Van kinds af aan heb ik altijd het idee gehad dat mijn leven (en ieders leven natuurlijk) onderdeel is  van een groot geheim dat ik zelf moest zien te ontraadselen langs een innerlijke weg. In mijn puberteit was dat contact meer op de achtergrond, maar het kwam terug toen ik filosofie ging studeren.

J vd P: Kan je wat raakvlakken aangeven van je filosofiestudie vandestijds met de theosofie?

H G: In de boeken van de filosoof en theosoof prof. Poortman las ik over buitenlichamelijke ervaringen. Dat herkende ik uit mijn kindertijd. En ook later, in mijn studententijd, is het me (incidenteel) gelukt om zulke ervaringen op te wekken met ademhalingstechnieken. Zo leerde ik in mijn eigen ervaringswereld iets kennen uit het theosofisch gedachtegoed. Oude kennis over de ziel die na de dood het lichaam verlaat en aan een reis begint, als voorbeeld van een oud niet-wetenschappelijk en niet-rationeel inzicht dat via eigen ervaring ineens heel dichtbij komt. De dood is in de filosofie een belangrijk onderwerp, dat je naar mijn mening niet kunt onderzoeken zonder je te verdiepen in wat Poortman ‘hylisch pluralisme’ noemt (meervoudige stoffelijkheid,
J. v.d. P.) en ervaringen van uittredingen.

J vd P: Nu ben je bijzonder hoogleraar voor de stichting Proklos aan de Universiteit Leiden met als leeropdracht: Metafysica in de geest van de theosofie. Wat is voor jou de uitdaging in deze leeropdracht?

H G: Het is een uitdaging met vele facetten. Mijn belangrijkste taak is om studenten zo met het werkveld van de leerstoel in contact te brengen dat zij gestimuleerd worden om daarin hun eigen weg te zoeken. Want het werkveld nodigt natuurlijk wel uit tot het stellen van fundamentele vragen zoals bijvoorbeeld vragen over zelfrealisatie. Zelfrealisatie heeft niet alleen implicaties voor je eigen leven, maar ook voor je standpunten in wetenschap en filosofie. Ik wil in studenten hiervoor openheid en enthousiasme prikkelen. Hoe elke student dat oppakt voor zichzelf is verder aan hem of aan haar.

Dr. Hans Gerding is bijzonder hoogleraar metafysica in de geest van de theosofie aan de Faculteit van de wijsbegeerte van de Universiteit Leiden.

Johan van der Poll, vice-voorzitter van de TVN had een vraaggesprek met hem.

22        Theosofia 107/1 · februari 2006

Op een belangrijk accent in de leeropdracht wil ik nog wijzen. Het gaat om ‘metafysica in de geestvan de theosofie’. Dat betekent dat de collegezaal geen theosofische loge is. Ik vind het een uitdaging om belangrijke theosofische noties zoals bijvoorbeeld een zuiver geestelijke kern in de mens, astrale werelden of reïncarnatie te verbinden met denkbeelden en ontdekkingen van hedendaagse filosofen en wetenschappers. Mensen als Carl Jung, Rupert Sheldrake, Ian Stevenson en vele anderen. Het is, ook voor de toekomst van de theosofie, belangrijk om een brug te bouwen tussen het werk van Blavatsky, Leadbeater en anderen, en wat er na hen ontdekt is. En daarbij gaat het niet alleen om het westen. De oosterse ervaringsdeskundige en wetenschapper dr. B. Goel bijvoorbeeld heeft in verband met zijn kundalini proces heel interessante dingen geschreven over het verschil tussen psychoanalyse en spirituele groei. Hier valt dubbele winst te behalen. De theosofie kan aansluiting vinden bij hedendaagse filosofen en wetenschappers, en kan zo bovendien zoeken naar wetenschappelijke onderbouwing voor inzichten die eerst alleen door enkelen ervaren werden.

Er speelt ook nog iets anders dat ik belangrijk vind. Mijn leermeester prof. Tenhaeff sprak op zijn colleges over de heuristische waarde van esoterische denkbeelden. Hij bedoelde daarmee dat parapsychologen die denkbeelden serieus moeten nemen en moeten bezien of daaruit hypotheses voor wetenschappelijk onderzoek zijn af te leiden. Dat is in de parapsychologie zeer goed mogelijk en is in feite ook gedaan.

J vd P: De theosofie pretendeert een synthese te zijn van wetenschap, religie en filosofie. Hoe zie jij deze synthese in jouw werkzaamheden voor Proklos?

H G: Ik associeer zo’n synthese, vrij naar Schopenhauer, met ‘empirische metafysica’. Daaronder zou je kunnen verstaan: onderzoek naar het hele spectrum van ervaringsmogelijkheden van de mens, waarbij wetenschap, filosofie en religie elkaar verhelderen vanuit ervaring. In religie als blind geloof in dogma’s die door andere mensen opgesteld zijn, zie ik niet zoveel. Wat mij interesseert is dat bijvoorbeeld een praktijk als meditatie een eigen empirie kent en je tot inzichten brengt, zoals de ervaring van een groeiende openheid, betrokken afstandelijkheid, liefde en bewustzijn als essentie. Dat element van toetsbaarheid zorgt ervoor dat je dit niet op gezag hoeft te geloven, maar dat je het zelf kunt ervaren. Dat je hierbij veel kan leren van de overgeleverde wijsheidstradities en verder moet kijken dan de grenzen van onze westerse cultuur hoef ik tegen de lezers van Theosofia natuurlijk niet te zeggen. Openheid voor de wijsheid van andere culturen hebben we in het westen juist mede te danken aan de theosofen.

J vd P: In de Theosofie kennen wij de zogenaamde drie doeleinden. Het derde doeleinde houdt zich bezig met het onderzoeken van de onverklaarde wetten in de natuur en van de vermogens die in de mens latent aanwezig zijn. Kan je vertellen hoe jij je werkzaamheden in Leiden daarin plaatst? Doe je dan ook onderzoek?

H G: In Leiden richt ik me op onderwijs. Dat neemt niet weg dat ik me voor Proklos ook met onderzoek bezighoud. Ik ben nu, op uitnodiging, bezig met een studie over de vraag hoe pastoraal werkers om kunnen gaan met mensen die in grensoverschrijdende ervaringen terecht zijn gekomen en die de weg kwijt zijn. Die studie presenteer ik volgend jaar op een congres.

Experimenteel onderzoek dat ik veel gedaan heb is het zogeheten Ganzfeld-onderzoek: experimenten in een laboratorium die ons wijzer moeten maken op het gebied van telepathie.

J vd P: Het begrip Ganzfeld-onderzoek zal niet voor iedereen duidelijk zijn.

HG: Het gaat om een telepathie-experiment met een ‘zender’ en een ‘ontvanger’ dat wereldwijd door diverse onderzoeksinstellingen wordt gedaan. Zodoende kunnen de resultaten van diverse onderzoekers met elkaar gecombineerd worden en kun je meer gefundeerd uitspraken doen over deze tak van onderzoek.

Theosofia 107/1 · februari 2006        23

Het komt hierop neer: Ganzfeld betekent ‘egaal veld’. Dat slaat op de ervaringswereld van de ontvanger die halve pingpongballen over de ogen geplakt krijgt waarboven rood licht schijnt. Tevens hoort hij ‘witte ruis’ door een koptelefoon. Zijn visuele ervaringswereld is egaal rood en zijn auditieve ervaringswereld is ook egaal door de ruis. Hij krijgt geen gestructureerde informatie meer uit zijn omgeving, want die is kunstmatig egaal gemaakt. Hij komt dan open te staan voor indrukken die van binnenuit komen. Alles wat hij innerlijk ervaart moet hij uitspreken en dat wordt via een koptelefoon gehoord door de zender die in een andere kamer naar een afbeelding zit te kijken. Dat is een foto waar van alles en nog wat op kan staan; een olifant in Afrika, iemand met een rare hoed op, een olietanker op zee, en ga zo maar door. Aan het einde van het experiment krijgt de ontvanger vier platen te zien. Een ervan is de plaat die de zender bekeek. Het gaat er dan natuurlijk om dat de ontvanger, die op basis van zijn indrukken moet kiezen, de juiste plaat weet aan te wijzen. De kans lijkt een op vier omdat er vier platen zijn. Als er sprake is van telepathie moet je hoger uitkomen, wat in een hele reeks experimenten ook zo is. Maar, we kijken er niet alleen naar of we zo telepathie kunnen bewijzen. We kijken ook naar interessante achtergrondinformatie; welke mensen doen het beter, wat hebben zij dat anderen niet hebben? Hier is nog veel meer over te vertellen, maar dit is in het kort de basisgedachte.

J vd P: Het derde doeleinde houdt vooral de spirituele groei in van demens. Kan jij daar iets over vertellen i.v.m. je werkzaamheden inLeiden?

H G: Spiritualiteit is eigenlijk iets heel intiems en niet uit te leggen zoals wiskunde. Net zo goed als universitair onderwijs gericht hoort te zijn op vorming van autonoom denkende mensen, zo probeer ik inmijn colleges bij de presentatie van het werkveld van de leerstoel ookte prikkelen tot nadenken over spiritualiteit. Spiritualiteit is een wezenlijk onderdeel van onze leerstoel.

Naast de academische kant van spiritualiteit is er ook een persoonlijke kant. Ik vind dat je je, juist bij dit onderwerp, niet kunt baseren opboekenwijsheid alleen. Zelf mediteer ik elke dag een half uur. Dat doe ik sinds mijn studententijd.

J vd P: In de Theosofie staat een ethische levensbeschouwing centraalen je vindt er veel psychologie in terug. Kun je ook zeggen dat je veeltheosofie terug kunt vinden in parapsychologische denkbeelden?

H G: Filosoferen over parapsychologie brengt je inderdaad bij theosofische denkbeelden. Wat mij aanspreekt is de volgende gedachtegang, die uitgaat van het geestelijk overschrijden van de grenzen van ruimte en tijd. Een droom die op de toekomst betrekking heeft (tijd) of op iets dat elders gebeurt (ruimte) is, kort door de bocht gezegd, paranormaal. Dat doorbreken van grenzen kan weliswaar niet naar willekeur, maar, je komt het tegen in de ervaringen van mensen en ook in de uitkomsten van experimenten. Dat betekent dat je je aanwezigheid, ook al is het zeer fragmentarisch, tot buiten de grenzenvan ruimte en tijd kunt uitbreiden. Dat vind ik een duizelingwekkende gedachte. Dit gaat in de richting van het ervaren van universele aanwezigheid. Hier zie je hoe je vanuit de wereld van de parapsychologie in de wereld van de theosofie terecht kunt komen.

J vd P: De Theosofie heeft ideeën over de vorming en ontwikkeling van het universum en de daaruit voortkomende mens, macrokosmos en microkosmos, zonder echter te pretenderen de hele waarheid in pacht te hebben. Dat stuit nogal eens op weerstanden. Zijn hier overeenkomsten met jouw parapsychologische onderzoek?

H G: Ja, dat klinkt bekend. Veel mensen denken dat ik anderen wil overtuigen, alsof ik een soort missionaris van de parapsychologie zou zijn. Dat is absoluut niet zo. Ik geef de feiten, met hun onduidelijkheid en open vragen erbij. Daar kan iedereen dan zelf zijn eigen gedachten over vormen.

J vd P: Laatste vraag: Hoe vind je huidige werk als hoogleraar in Leiden?

H G: Voor de studenten is het goed dat zij zich op een academisch verantwoorde wijze kunnen verdiepen in alles wat er via het werkveld van de leerstoel aan de orde kan komen. Dat is extra belangrijk omdat een grote en groeiende groep jonge mensen hier steeds meer geïnteresseerd in raakt. Dit belang staat voorop, nu en voor de toekomst.

24        Theosofia 107/1 · februari 2006

Persoonlijk vind ik het contact met de studenten en met collega’s inspirerend en stimulerend. Dat geldt ook voor de andere activiteiten die ik vanuit de leerstoel ontplooi. Ik hoop dat dit zal leiden tot vruchtbare jaren.

J vd P: Hans, ik wil je bedanken voor het gesprek dat wij gehad hebben. In dit gesprek heb je veel over jezelf verteld en duidelijk de doelen die je je gesteld hebt weergeven. Ik wens je veel succes toe met je colleges Metafysica in de Geest van de Theosofie aan de universiteit in Leiden. Ik weet zeker dat we nog veel van je zullen horen.

Er bestaat niet zoiets als ketterij; want geen mens is de rechter en meester van een ander mens in welke gedachtesfeer dan ook, of dit nu op het gebied van godsdienst, politiek, zeden of filosofie ligt. Gedachten moeten vrij en ongebonden zijn, anders krijg je stagnatie en dood. Maar omdat dat waar is, moeten we niet de onlogische gevolgtrekking maken van: ‘het doet er niet toe, wat ik denk.’ Het doet er enorm veel toe wat je denkt. Als je verkeerd denkt, zul je verkeerd handelen; als je laag denkt, zal je handelen in overeenstemming zijn met je denken. Dus denk zo edel, zo hoog, zo zuiver mogelijk. Denk zo goed als je kunt en niet zo slecht als je kunt. Mik hoog, want hoe hoger de pijl gericht is, hoe hoger het doel is, dat hij raakt. Houd je eigen idealen hoog en edel en laat tegelijkertijd je eigen mening over anderen mild zijn en jouw idealen zullen je verheffen en je naastenliefde zal je gevallen broeder doen opstaan. Want nog nooit is iemand opgeklommen door vertrapt te worden. Een mens klimt alleen op, doordat hij bemind wordt, met al zijn zonden en de dwaze dingen die hij doet en zoals wij met onze broeders omgaan, zo gaan ook Zij die boven ons staan met ons uiterlijke zelf om.

Nu dit onze laatste les is, eindig ik met de woorden van de Upanishad (Svetãsvatara II.14):

‘Het belichaamde Zelf, dat zijn wezenlijke aard schouwt, bereikt zijn ware doel en er komt een eind aan elke pijn.’

Uit: De Wijsheid van de Upanishaden,

Annie Besant