TVN Home » Tijdschrift Theosofia » 2006 » Oktober » Wie was…Mevrouw P.C. Meuleman-van Ginkel
Mw van Meuleman van Ginkle en Fricke

Wie was…Mevrouw P.C. Meuleman-van Ginkel

In een beschrijving van de geschiedenis van de TVN dient niet alleen aan de heer Fricke, maar ook aan mevr. Meuleman in het bijzonder aandacht te worden besteed. Mevr. Petronella (‘Piet’) Catharina Meuleman-van Ginkel werd op 21 mei 1841 te Rijswijk geboren; zij overleed te Amsterdam op 23 oktober 1902. Haar echtgenoot, Evert Meuleman, werd te Zwolle geboren op 17 juli 1838 en overleed te ‘s-Gravenhage op 5 maart 1913.

Op een bruiloft te Zwolle maakte mej. van Ginkel kennis met de heer Meuleman, die in Zwolle een smederij had. De kennismaking leidde tot een huwelijk op 13 april 1864. Later deed de heer Meuleman de smederij aan de kant, werd machinist bij een binnenlandse rederij en ten slotte machinist op een fabriek te Vlaardingen. Zijn vrouw hield pension in hun huis in Vlaardingen. Ook werkte zij mee aan seances, die wekelijks werden gehouden bij een familie aan huis.

Zoals eerder beschreven vestigden de heer en mevrouw Meuleman zich in 1889 te Amsterdam, waar mevr. Meuleman evenals in Vlaardingen deelnam aan seances van een groepje personen waarvan ook de heer H.P.H. Wierts van Coehoorn – particulier secretaris van de heer Fricke – deel uitmaakte. In het laatst van 1890 werd mej. J. Stout – de onderwijzeres die mevr. Meuleman wist te bewegen naar Amsterdam te komen – benoemd tot hoofd van een Fröbelschool die te Amsterdam in 1890 door de heer Fricke was gesticht; in 1891 trouwde mej. Stout met de heer Wierts van Coehoorn, waarna zij beiden in de school gingen wonen. (Voor gegevens betreffende deze school zij verwezen naar hoofdstuk 23: ‘De Vereniging 0 & 0’).

Mevr. Petronella C. Meuleman – die zichzelf  ‘Piet’ noemde – werd wel de ‘Moeder’ van de Vereniging genoemd, zoals later van ‘Vader Fricke’ werd gesproken. Ofschoon zij niet had gestudeerd – voor haar huwelijk was zij huishoudster geweest – drukte zij haar stempel op de Vereniging. Zij was de ziel van het hoofdkwartier. Zo nu en dan trad zij dominant op, maar haar toewijding was onbaatzuchtig en haar charisma van grote betekenis. Tegenwoordig wordt, om belangrijke besluiten te nemen, vaak urenlang vergaderd. Mevrouw Meuleman deed dat anders. Er was op 12 april 1897 een vergadering te Amsterdam: zestien leden waren aanwezig. Mevr. Meuleman stond op en zei: ‘Het is nu tijd om een afdeling te vormen. Een afdeling moet uit tenminste zeven loges bestaan; als wij die niet hebben moeten we ze maken. Er zijn er vijf; ik stel voor er nog twee te vormen uit de bestaande centra. Machtigt de vergadering ons deze zaak in orde te brengen? Ja? Goed, dan is de afdeling gevormd.’ Mogelijk kunnen de volgende fragmenten (enigszins aangepast) iets weergeven van het optreden en de betekenis van mevr. Meuleman (en van de heer Fricke) in nu reeds lang vervlogen jaren. In Theosophia van april 1931 (een ‘In memoriam’-nummer na het overlijden van de heer Fricke) kunnen we in een bijdrage van mevr. W.A.L. Ros-Vrijman lezen:

Op de foto: W.B. Fricke en mevrouw P.C. Meuleman- van Ginkel, de ‘vader’ en ‘moeder’ van de TVN.

Mevrouw Meuleman was ‘de ziel van het hoofdkwartier’. Haar toewijding was onbaatzuchtig en haar charisma van grote betekenis.

190        Theosofia 107/5 · oktober 2006

Vierendertig jaar geleden op een avond in de maand maart de grote, holle, lege zaal van Diligentia. Op het podium een lange, deftige, groene tafel en daarachter een man en een vrouw. In de zaal tien mensen in nieuwsgierige afwachting der komende dingen. Aangekondigd was een voordracht door de heer Fricke over: ‘Wat is theosofie?’ De vrouw stond op en opende de bijeenkomst. Zij had een rijzige, zware gestalte, een merkwaardig, markant hoofd, heldere, doordringend blauwe ogen en de fraaist denkbare handen. Zij sprak met grote waardigheid en leidde haar medewerker en vriend in. De heer Fricke hield zijn voordracht en terwijl hij sprak kwam er antwoord na antwoord op de verwarde en als het ware over elkaar tuimelende vragen in ons zoekend verstand; werd gordijn na gordijn opzij geschoven, om een Licht door te laten, dat ons sinds dat merkwaardig ogenblik nooit meer verlaten heeft. Die avond werden wij lid van de Theosofische Vereniging.

Er zijn twee eigenschappen, die voor mij in de figuur van de heer Fricke het sterkst spreken, namelijk trouw en toewijding. Trouw aan de zaak, die hij gedurende veertig jaar onafgebroken diende, waaraan hij alles gaf wat hij bezat: zijn persoon, zijn werkkracht, zijn fortuin. En dit niet aarzelend, of half; neen, volledig en geheel zonder enige terughouding of bedenking. Wanneer ik terugdenk aan het hoofdkwartier, Amsteldijk 76, nu meer dan dertig jaar geleden, dan rijst voor mijn geest het beeld op van de zondagse koffietafel, waaraan allen werden genodigd, die elke zondag weer, gedurende vele jaren naar dat hoofdkwartier kwamen om lering te ontvangen en voorbereid te worden op het werk dat ons later wachtte. Aan het hoofd van de tafel mevr. Meuleman, aan haar rechterzijde de heer Fricke, aan haar linkerzijde mevr. Windust. Dit driemanschap was de hoeksteen van het fundament der Nederlandse afdeling, waaromheen de andere leden van het hoofdkwartier zich schaarden. Daar hebben wij de heer Fricke leren kennen in al de intimiteit van het huiselijk leven en daar hebben wij hem leren liefhebben. Die zondagse koffietafel aan de Amsteldijk was voor hem altijd het hoogtepunt van de gehele week, zoals hij mij vaak verzekerde, want daar was ‘Piet’ steeds op haar best! Daar hebben wij, oudere leden van de afdeling, niet alleen ontzaglijk veel geleerd, maar ook leren begrijpen (zoals dat later eigenlijk niet meer mogelijk was), aan welke geweldige moeilijkheden deze mensen het hoofd moesten bieden om de theosofie in ons land ingang te doen vinden.

Dat het hoofdkwartier aan de Amsteldijk in latere jaren naar de Tolstraat werd verplaatst was kennelijk voorbeschikt. Immers: op zekere dag zei mevr. Meuleman tegen de heer Wierts van Coehoorn: ‘Coehoorn wil jij eens gaan naar de Tolstraat? Daar staat een loods van de beeldhouwers Van den Bossche en Crefeld. Vraag eens wanneer ik kan komen om mijn hand te laten boetseren. Ik wil die aan Mister Fricke cadeau geven. Maar niets vertellen; het is een verrassing.’

Het kunstwerk werd gemaakt en thuis bezorgd bij mevr. Meuleman. ‘Vader Fricke’ vond het geschenk wel wat duur (de prijs was 25 gulden en de hand werd uit de kas van de Vereniging betaald) maar hij wilde hem later voor geen geld missen. Die hand, geboetseerd in een loods waar nu de voormalige Tempel en het hoofdkantoor staan, is het symbool geweest om de aandacht op de grond voor deze gebouwen te vestigen, toen de eigenaar die te koop aanbood.

Het is uitzonderlijk dat mevr. Meuleman zo’n onvergetelijke indruk op de leden van de Vereniging heeft gemaakt, ofschoon zij slechts van 1891 tot 1902 theosofe is geweest. De heer Fricke daarentegen heeft zich tot 1931 voor de Vereniging verdienstelijk kunnen maken – een aanzienlijk langere periode. Mevr. Meuleman overleed op 23 oktober 1902. Tweeëndertig leden van de Vereniging en een aantal leden van de Duitse Afdeling waren bij de crematie in Hamburg aanwezig.

Theosofia 107/5 · oktober 2006        191

Zowel de heer Fricke als mevr. Meuleman waren zoekers naar spirituele waarheid in een tijd (de tweede helft van de negentiende eeuw) waarin het spiritisme grote opgang maakte, eerst in Amerika, later in Europa (vooral in Frankrijk). In dit opzicht lijken zij op mevr. Blavatsky en kolonel Olcott, die in Amerika een soortgelijke weg hebben afgelegd. De destijds aanwezige belangstelling voor het spiritisme, dat overigens al in de oudheid bekend was, kan worden gezien als een reactie op het materialistische en rationalistische denken aan het eind van de negentiende eeuw.

Zo heeft ook de bekende staatsman en dichter Pieter Jelles Troelstra (1860-1930) zich blijkens zijn memoires in het spiritisme verdiept. Toen hij in Amsterdam woonde, had hij gedurende een korte periode – waarschijnlijk in het jaar 1905 – een secretaris, de onderwijzer Jan de Jager (1879- 1950), die hem ‘meer ernstige belangstelling’ voor het spiritisme wist bij te brengen. Desondanks weigerde Troelstra (die verscheidene seances bijwoonde) ‘geloof te hechten aan manifestaties van geesten en andere spiritistische verschijnselen, waarvan ik de materiële grondslag niet vermocht te ontdekken’.

Jan de Jager was verscheidene jaren theosoof, gedurende welke periode is niet bekend. In ieder geval schreef hij in de jaren 1907 t/m 1919 verscheidene artikelen in het tijdschrift Theosofia, waarvan hij enige tijd redacteur was. Verder schreef De Jager (meestal niet in Theosofia) onder meer over religieus-socialisme, filosofie, pedagogie en geschiedenis. Hij was een van degenen die na een aantal jaren het spiritisme achter zich lieten.

Ondanks het omstreeks 1900 overheersende materialisme en rationalisme zochten destijds velen naar aantoonbare bewijzen door middel van seances voor het bestaan van ‘het leven na de dood’. In feite eveneens een rationele methodiek, maar men kon kennelijk niet berusten in het platte materialisme dat opgeld deed. Vandaar de belangstelling van mevr. Blavatsky en kolonel Olcott voor spiritistische verschijnselen. Zij waren echter vóór 1875 (maar ook daarna) bovenal zoekers naar het spirituele (spiritueel in de werkelijke betekenis van het woord). Hoewel Olcott en Blavatsky het aanvankelijk voor de spiritisten opnamen – die vaak ten onrechte van bedrog werden beschuldigd – kwamen zij toch tot de conclusie dat aan spiritistische activiteiten grote gevaren zijn verbonden en dat spiritistisch onderzoek bovendien weinig gegevens oplevert over toestanden na de dood. Mevr. Blavatsky was zonder twijfel paranormaal uitzonderlijk begaafd; ook mevr. Meuleman beschikte over mediamieke vermogens, maar beiden hebben zich na het ontstaan van de Theosofische Vereniging van het spiritisme afgewend. Ook later heeft de Vereniging zich niet met spiritistische activiteiten ingelaten. Verscheidene voormalige spiritisten uit de beginperiode van de Vereniging hebben overigens wel moeite gehad met de overgang naar theosofie. Zij moesten zich voortaan beperken tot het bestuderen van theosofie en het aanhoren van voordrachten.

Gedurende zijn laatste levensjaren woonde de heer Fricke in ‘Quisisana’ (Hier geneest men), een huisje in Laren. Vaak wandelde hij door de vele schilderachtige bospaadjes in de omtrek van Laren en Blaricum. Weer of geen weer, Fricke trok er tweemaal daags op uit. ‘s Zomers alleen met stok en hoed, ‘s winters met zijn alom bekende Russische muts, meestal vergezeld door mej. A. de Graaff of mevr. A. van der Meulen, die hem tot zijn overlijden (aan een hartkwaal) verzorgden. Als het regende had Fricke geen paraplu nodig, maar stapte hij stevig voort, soms dwars door plassen heen als het hem om een kortere weg te doen was. Bij zachter weer werd menige beschouwing ten beste gegeven. Of hij zong een oud Frans liedje uit volle borst op de maat van het lopen – herinnerend aan de tijd die hij op de Militaire Academie had doorgebracht.

‘Vader Fricke’ overleed op 15 maart 1931,  Bij de crematie op ‘Westerveld’ volgde een stoet van meer dan 300 personen de opgaande slingerweg naar het crematorium. Uiteraard waren er verscheidene sprekers, onder wie de heer J. Kruisheer. Terecht herdacht deze de heer Fricke en mevr. Meuleman als de stichters van de TVNA, ook al was aan deze Vereniging het een en ander vooraf gegaan. Daarna sprak de heer J.F. Duwaer uit Amsterdam namens de Nationale Raad van de Internationale Orde der Gemengde Vrijmetselarij ‘Le Droit Humain’. Hij merkte onder meer op, dat de heer Fricke voorzittend-meester was van de Amsterdamse vrijmetselaarsloge, en later lid van de Nationale Raad van de Orde. ‘Zeer velen hebben hem veel te danken!’

192        Theosofia 107/5 · oktober 2006

Het hierboven weergegeven stuk is hoofdstuk 10: Mevrouw P.C. Meuleman- van Ginkel uit het boek  ‘… een kern van broederschap …’, 100 jaar Theosofische Vereniging in Nederland, 1897-1997, geschreven door Ruud Jansen, die op 17 april 2006 op 79- jarige leeftijd te Amsterdam overleed.

Uniekheid in tijd en uitdrukking is de waarde van vorm. Deze is waardevol omdat hij vergankelijk is als een bloem die bloeit en verwelkt,
maar die niettemin het eeuwige karakter van alle bloemen en van al het leven tot uitdrukking brengt.
Het is de waarde van het moment,
waarin de tijdloze eeuwigheid aanwezig is.
Het is de waarde van de individuele vorm,
waarin het oneindige wordt geopenbaard.

Lama Anagarika Govinda