TVN Home » Tijdschrift Theosofia » 2007 » Augustus » Mediteren over De Geheime Leer, Pablo Sender
Pablo Sender

Mediteren over De Geheime Leer, Pablo Sender

In een eerder artikel (Theosofia, juni 2007) bekeken we het belang van een meditatieve studie van de universele begrippen en de drie Grondbeginselen uit De Geheime Leer (GL) als een brede richtlijn voor de spirituele praktijk. Nu zullen we ons richten op het meditatieve proces, gebruikmakend van het eerste Grondbeginsel en van Stanza I uit het eerste deel van de GL als basis. H.P. Blavatsky (HPB) zei dat de zeven Stanza’s van Dzyan in dit deel een abstracte formule vormen die toegepast kan worden op de manifestatie van het universum.1

Overwegend dat het Eerste Grondbeginsel een samenvatting is van deze Stanza’s en rekening houdend met het hermetische axioma ‘zo boven zo beneden’ zullen we dit Grondbeginsel bekijken als een formule voor de manifestatie van het denken en het daarna toepassen op het meditatieve proces. Dan zullen we een paar belangrijke aanwijzingen onderzoeken die in de eerste Stanza gegeven worden over de oorspronkelijke aard van het Denken.

We moeten ons echter wel realiseren dat deze leringen zich uitstrekken tot het voeren van het denken naar een realiteit die verder ligt dan concepten. Het probleem dat de student in het begin tegenkomt is dan ook de moeilijkheid om ten minste op het intellectuele niveau de verklaringen te kunnen begrijpen die gaan over transcendente en essentiële werkelijkheden die nauwelijks in woorden kunnen worden weergegeven.

Daarom zullen we eerst de voornaamste begrippen die uitgedrukt worden in het Eerste Grondbeginsel in het kort proberen te verhelderen.

Dr. Pablo Sender is een jonge Argentijnse theosoof die het theosofische gedachtegoed daadwerkelijk verbreidt onder de jongeren. Hij werkte in Adyar als assistent- archivaris.

Dit artikel komt ook als top-artikel op de website www.theosofie.nl

Theosofia 108/4 · augustus 2007        155

Het proces van manifestatie

Dit Grondbeginsel stelt dat er een Absolute Werkelijkheid is die Parabrahman, de wortelloze wortel wordt genoemd, of de kosmos nu gemanifesteerd wordt of niet. Deze Werkelijkheid is alomtegenwoordig, eeuwig, onveranderlijk en heeft geen eigenschappen. Parabrahman is inderdaad geen wezen maar een ‘zijnstoestand’, dat wat het bestaan van wezens mogelijk maakt. Maar ook al heeft het Absolute geen eigenschappen, dan kunnen we toch zeggen dat het twee aspecten heeft zoals het beschreven wordt in de Proloog:

Dit ‘Zijn’ wordt in De Geheime Leer gesymboliseerd vanuit twee gezichtspunten. Enerzijds als absolute abstracte Ruimte, die zuivere subjectiviteit voorstelt, het enige dat het menselijk verstand uit geen enkel begrip kan weglaten en evenmin op zichzelf kan beschouwen; anderzijds als absolute abstracte beweging die onvoorwaardelijk bewustzijn voorstelt.2

Absolute abstracte Ruimte wordt Mulaprakriti genoemd, de Pre- kosmische wortelsubstantie die samen met Parabrahman eeuwig is. HPB zegt dat de enige manifestatie ervan op dit gebied Ruimte is – een zeer verhelderend begrip gezien vanuit een psychisch spiritueel gezichtspunt zoals we zagen in het bovengenoemde artikel (Theosofia, juni 2007). Maar ook vanuit een metafysisch oogpunt geeft het een belangrijk inzicht, omdat het Absolute net als ruimte niet beïnvloed noch gewijzigd wordt door geconditioneerde (gemanifesteerde) zaken: ‘In de alles doordringende ruimte bestaan wolken, sterren, planeten, zandstormen en zo meer, maar het (ruimte) wordt door geen van hen geraakt.’, zegt een vedantisch geschrift.3 Deze voorstelling is echter noodzakelijkerwijs beperkt voor wat betreft het beschrijven van absolute abstracte ruimte, omdat het geen lege ruimte is, wat we zouden kunnen denken: ‘Ruimte is noch een “onbegrensde leegte” noch een “voorwaardelijke volheid” maar beide. 4 Dit abstracte vrouwelijke beginsel Mulaprakriti zal de objectieve kant van de gemanifesteerde kosmos voortbrengen, dat wil zeggen al de diverse stadia van materie (de gebieden) en de voertuigen van bewustzijn (de lichamen). Het symbool ervan is een witte cirkel: O.

Het tweede aspect van Parabrahman is absolute abstracte Beweging. Het wordt de Eerste Logos genoemd of Brahman (onovergankelijk) en is een abstract mannelijk aspect omdat het de Pre- kosmische Ideatie is. De Eerste Logos is de kiem van het Universele Denkvermogen waaruit de subjectieve kant van de manifestatie zal voortkomen, dat wil zeggen elke soort van bewustzijn. Omdat het een aspect is van het Absolute is het ook eeuwig maar periodiek latent of actief. Als het actief is wordt het de Eerste Oorzaak van het gemanifesteerde universum genoemd en het wordt dan gesymboliseerd door een punt in de cirkel: Deze drie elementen vormen het eerste ongemanifesteerde drietal dat toch een Eenheid is.

Maar als de ongemanifesteerde Logos eenmaal werkzaam wordt begint het proces van differentiatie, wat leidt tot het stadium van de Tweede Logos, Alaya, de Universele Overziel, die gedeeltelijk gemanifesteerd is omdat het een schakel vormt tussen beide stadia. Op dit punt vindt er een subjectieve polarisatie plaats in de Eenheid. Ofschoon het geen daadwerkelijke dualiteit is zullen er wel alle dualiteiten in de gemanifesteerde kosmos uit voortkomen (geest- stof, zelf- nietzelf, subject- object, mannelijk- vrouwelijk, positief- negatief en zo meer). Het symbool daarvan is een cirkel met een m iddenlijn: y

156        Theosofia 108/4 · augustus 2007

En dan komt de Derde Logos waarmee de manifestatie aanvangt. Het wordt Brahmâ, de schepper of Mahat, het universele denkvermogen genoemd, de leidende intelligentie in Evolutie. In dit stadium begint dualiteit en ook de relatie tussen beide polen verschijnt als ‘iets’ dat geest met materie verbindt, subject met object:

Dit iets, dat tegenwoordig onbekend is in het westerse speculatieve denken, wordt door de occultisten Fohat genoemd. Het is de ‘brug’ waardoor de ideeën die in het ‘goddelijk denken’ bestaan als ‘ natuurwetten’ worden afgedrukt op de kosmische substantie. Fohat is dus de dynamische energie van de kosmische verbeelding, of, van de andere kant beschouwd, het intelligente medium, de leidende k racht van alle manifestatie, de ‘goddelijke gedachte’ die wordt overgebracht en openbaar gemaakt door de Dhyan Chohan’s, de architecten van de zichtbare wereld.5

De Derde Logos is dan ook de eerste gemanifesteerde Drie-eenheid: Geest- Fohat- Materie, Kenner- Kennis- Gekende en meer van die uitdrukkingen, gesymboliseerd door een kruis in een cirkel: Å

Op dit punt kan het helpen om alles samen te vatten:

Zo is ons bewustzijn afkomstig van de geest of kosmische verbeelding; de verschillende voertuigen waarin dat bewustzijn wordt geïndividualiseerd en tot zelfof reflectief bewustzijn komt, zijn afkomstig van de kosmische substantie; terwijl Fohat in zijn verscheidene manifestaties de geheimzinnige schakel vormt tussen denkvermogen en materie, het bezielende beginsel dat ieder atoom tot leven prikkelt.6

Daarna ontstaat verscheidenheid door middel van een uitgebreide hiërarchie van wezens (architecten, wakers, bouwers, planetaire krachten en zo meer) die het universum bouwen. De materie wordt grover en grover gedurende het vormen van de lagere kosmische gebieden en het bewustzijn wordt meer en meer daaraan ondergeschikt gemaakt. Dit stadium van werkzaamheid wordt voorgesteld door de swastika:

Het proces van manifestatie omkeren

Tot hiertoe hebben we een algemeen overzicht gegeven van de processen van manifestatie. Nu zijn we in staat om de hierboven beschreven stadia vanuit een psychologisch standpunt te onderzoeken. In onze normale staat van bewustzijn zijn we bezig met een breed scala van psychologische processen zoals emoties, gedachten, herinneringen en verlangens. Die toestand wordt weergegeven door de swastika, het stadium van diversiteit. Maar als we onszelf beginnen te onderzoeken zullen we zien dat achter al die processen slechts drie elementen schuil gaan: (1) De kenner die het subject is, het zelf dat we ‘ik’ noemen (2) het gekende, het object, het niet- zelf, alles dat buiten ons is en (3) kennis, de relatie tussen beide, de reacties die opkomen in ‘mij’ tijdens het contact met de ‘ander’. Dit drietal stelt de Derde Logos voor.

Door juiste meditatie, het kalm en aandachtig observeren van die verscheidenheid aan processen in onszelf, kunnen we tot een punt van geen- reactie komen ofwel tot een gewaar zijn van alles wat er gebeurt. Het vereist van ons dat we alle gedachten, gevoelens en zo meer toestaan om op te komen en van zelf weer te laten verdwijnen zonder dat we ingrijpen: we kijken alleen maar. Dan hebben we het gebied van de relatie tussen zelf en niet-zelf overstegen. Maar alhoewel er geen reactie is, kijken we toch vanuit een middelpunt. Dat wil zeggen dat er nog steeds een gevoel is van ‘Ik neem de psychologische beweging waar’, ‘de beweging is iets anders dan ik’. Dus is dit een staat van dualiteit, het stadium van de Tweede Logos. Als we stil en rustig in die conditie blijven is het mogelijk om het gevoel van dualiteit achter te laten. Dan is ‘de waarnemer het waargenomene’, zoals Krishnamurti (JK) dikwijls zei. Dit is een staat van eenheid die gesymboliseerd wordt in de Eerste Logos. En nu is de deur open voor het bereiken van een kwalitatief andere staat van bewustzijn, aangegeven door Parabrahman, het Absolute dat buiten het bereik van gedachten is.

Swastika0,4cm

Theosofia 108/4 · augustus 2007        157

Zoals we kunnen zien is het beschreven proce s dat van Râja Yoga; we moeten het verloop van de manifestatie omkeren in onszelf. Dat wordt aangegeven door veel mystieke leringen bijvoorbeeld als we in De Stem van de Stilte lezen ‘De roos moet weer de knop worden, geboren aan de ouderlijke stam’ (v.77) of ‘de druppel keert terug vanwaar hij kwam’(v.181).

Mediteren over de Eerste Stanza van Cosmogenesis

De eerste stanza van Cosmogenesis beschrijft het Absolute, de oorspronkelijke staat waaruit alle creatieve krachten tevoorschijn komen. Daar de mens de spiegel van de kosmos is, kan Parabrahman gezien worden als een macrokosmische beschrijving van de toestand die overeenkomt met ons geestelijk bewustzijn als dat op het hoogste punt is, corresponderend met zijn oorspronkelijke aard. We moeten in gedachte houden wat HPB zei, dat als we de hoogst mogelijke graad op een gebied bereiken (het zevende ondergebied dat homogeen is) het bewustzijn dan de mogelijkheid heeft om over te gaan naar het gebied dat direct daarboven ligt:

De zevende vormt de brug van het ene gebied naar het andere. Het laatste is het denkbeeld, het wegvallen van de stof en voert u naar het volgende gebied. Het hoogste van het ene gebied raakt het laagste van het daarop volgende aan.7

Dit is een belangrijk onderwerp omdat het de ware basis vormt van bepaalde praktische theosofische leringen, maar het gaat verder dan de reikwijdte van dit artikel. Maar toch, als we dit feit in gedachten houden terwijl we werken aan dat wat volgt, dan kan deze stanza gezien worden als een beschrijving van die toestand van universaliteit waar het zelf stil is en waar het Andere contact kan maken. Het is natuurlijk niet door de gewone activiteit van ons hersenbewustzijn (kama- manas) dat we die toestand kunnen bewerkstelligen, maar als we diep peinzen over dat wat de stanza zegt en er aan werken dan: ‘verbrandt het vuur van kennis alle handelingen op het gebied van de illusie’8 en kunnen we een wenk krijgen vanuit het gebied van werkelijkheid.

Door juiste meditatie, het kalm
en aandachtig observeren van die
verscheidenheid aan processen
in onszelf, kunnen we tot een punt van geen- reactie komen ofwel
tot een gewaar zijn van
alles wat er gebeurt.

158        Theosofia 108/4 · augustus 2007

Ik zal de sloka’s van deze Stanza niet letterlijk beschrijven, maar de begrippen doorgeven op een manier die bruikbaar is voor het doel dat we nu voor ogen hebben. Daarnaast moeten we ook proberen de verklaringen toe te passen op de mens, in plaats van op de macrokosmos. Zo was in de oorspronkelijke staat van het Denken:

I.1. Het enige dat was de (oneindige) ruimte: Dit is de basis-Werkelijkheid, zoals we al zagen. Daarom richten we ons op het zich niet vereenzelvigen met de innerlijke beweging, maar met dat wat alle psychologische activiteit inhoudt . Ons bewustzijn is eraan gewend om alles waar te nemen vanuit het beperkte punt dat onze  persoonlijkheid is, maar nu moeten we ons denken uitbreiden naar het oneindige en in een besef van onbegrensdheid blijven met betrekking tot dit bepaalde punt in de ruimte.

I.2. De tijd was niet; hij lag in de oneindige duur. In haar commentaar zegt HPB dat ‘tijd slechts een illusie is, voortgebracht door de opeenvolging van onze bewustzijnstoestanden’ of zoals JK zou zeggen:’tijd hoort bij het brein’ en ‘tijd is gebaseerd op gedachten’. Als we blijven bij het ‘al de ruimte te zijn’(waar HPB naar verwijst in haar meditatiediagram, zie Theosofia, juni 2007) omvatten we ook al de beweging. Er is geen gewaarwording van iets als ‘innerlijk’ of ‘uiterlijk’. Alles is innerlijk: de uit het brein voortkomende werkzaamheid en de klanken van de Natuur. We gaan langzaam over in een staat van een vredige totale aanwezigheid zonder het gevoel van tijd.

I.3. Het universele denkvermogen was niet, er was niemand om het te bevatten en het zo te manifesteren. Vanuit een m icrokosmisch gezichtspunt betekent ‘het denkvermogen’ hier het lagere denken, kâma- manas. Het denken kan niet bevrucht worden (en daarom functioneert het) in een staat van oneindigheid (sloka I.1)  en eeuwigheid (sloka I.2). Zoals JK zei: ‘De denker is de gedachte. Er is geen denker zonder gedachte” 9 In deze toestand houdt het bewustzijn van het brein en dat wat het voortbrengt, het zelf, op te bestaan.

I.4. De wegen tot gelukzaligheid en de oorzaken van ellende waren niet want er was niemand om ze teweeg te brengen en erdoor verstrikt te raken: Het zelf is beperkt en het is de bron van afgescheidenheid waaruit aantrekking en afstoting ontstaan. Als dit illusionaire centrum er dus niet is, dan is er ook geen strijd voor geluk of gelegenheid tot verdriet. Maar wat is er dan?

I.5. Duisternis alleen vulde het grenzeloze al.

I.6. Alles is verzonken in het Absolute niet-zijnde. Niets was. Als er geen ‘zelf ’is vanuit het gezichtspunt van het lagere bewustzijn is, alles duisternis. Maar is die toestand waarin ‘niets was’ alleen maar een vernietiging, een onbewuste toestand alsof we uitgeteld (knocked out) zijn? De volgende dialoog tussen JK en Dr. David Bohm geeft ons een hint:

JK: Bewustzijn bestaat uit alles dat het zich herinnert: geloof, dogma’s, ritualen, angsten, genot, verdriet.

DB: Ja. Als dat nu allemaal afwezig zou zijn zou er dan geen bewustzijn bestaan?

JK: Niet zoals wij het kennen.
DB: Maar er zou nog steeds een soort van bewustzijn bestaan?

JK: Van een totaal andere aard.10

I.7. De oorzaken van het bestaan waren weggenomen, alles rustte in eeuwig niet-zijn. Het ene zijn.

I.8. Alleen de ene vorm van bestaan strekte zich grenzeloos, eindeloos, oorzaakloos uit door heel de Alomtegenwoordigheid die door het geopende oog van de gezuiverde ziel wordt waargenomen. In de voorgaande noot zei JK dat, als het zelf afwezig is, er ‘een totaal ander soort bewustzijn’ over blijft. Het zou kunnen dat hij verwijst naar dat ‘niet zijnde’ dat het Ene Zijn is. Maar we moeten hierbij aantekenen dat de stanza aangeeft dat deze toestand ‘oorzaakloos’ is en verschijnt als ‘de oorzaken van (persoonlijk) bestaan weggewerkt zijn’.

Theosofia 108/4 · augustus 2007        159

Hoe wordt dat gedaan? In de Vedânta- filosofie wordt gezegd dat Âtman (het Ene zijn) is zoals de zon die bedekt wordt door wolken (het persoonlijke zelf). Als de wind (spirituele waarneming) de wolken verwijdert, dan schijnt de zon. Maar de zon werd niet voortgebracht door de wind die besliste over de wolken, terwijl de zon zelf altijd de zelfde blijft, onaangeraakt. Om geestelijk bewustzijn (zonlicht) te doen ontwaken hoeft er daarom niets toegevoegd te worden, maar wel verwijderd. Geestelijk bewustzijn wordt niet voortgebracht door een geconditioneerde beweging, maar het komt tevoorschijn als het zelf afwezig is. Zoals JK zei:

Om het heel eenvoudig te zeggen: als het zelf er niet is, is er schoonheid, stilte, ruimte; dan werkt die intelligentie die geboren wordt uit compassie door het brein. Zo simpel is het.11

Dus die toestand ontstaat openlijk, spontaan. Maar dat wil niet zeggen dat het magisch zal ontstaan zonder dat er enig werk van ons verwacht wordt. Elke spirituele discipline heeft als doel ‘het voorbereiden van de grond’ van waaruit die toestand kan ontstaan. Zonder dat noodzakelijke werk is het bijna onmogelijk voor het zelfloos gewaarzijn om tevoorschijn te komen.
JK gaf als voorbeeld dat als je een raam opent de bries binnen kan komen. Je kunt de bries niet produceren je kunt alleen maar het  raam open laten; maar als je het raam niet open doet zal de bries nooit binnen komen. En wat zal het raam open houden? De sloka refereert aan ‘die alomtegenwoordigheid die door het geopende oog van de gezuiverde ziel wordt waargenomen’. De ‘gezuiverde ziel’ zou kunnen staan voor die waakzaamheid van een niet- gecentreerd aanwezig zijn waardoor de intuïtie of de spirituele waarneming zich kan manifesteren.

DB: Als het brein stil is, als het niet aan een probleem denkt, dan is de ruimte toch nog beperkt maar het is open voor…

JK: … voor de ander.

DB: Zou je kunnen zeggen dat, door aandacht of in aandacht, het denken contact maakt met het brein?…Werkt het (intelligentie) door aandacht?

JK: Natuurlijk.

DB: Dus aandacht schijnt het contact te zijn.

JK: Natuurlijk. We zeiden dat er alleen maar aandacht kan zijn als het zelf er niet is.12

1.9 Toen waren zij allen in de absolute werkelijkheid. Uiteindelijk bereikt het denkbewustzijn de absolute werkelijkheid van zijn eigen gebied. En van daaruit kunnen creatieve krachten opkomen die de hele structuur van het brein veranderen, om vorm te geven aan een meer geschikt instrument voor deze nieuwe en andere energie en voor dat bewustzijn. Zoals JK zegt:

Dus kan het brein met al zijn geconditioneerde cellen, kunnen deze cellen radicaal veranderen?.. We zeggen dat ze dat kunnen door inzicht; het inzicht dat buiten de tijd staat….Het heeft niets te maken met welke tijd of gedachte ook.13

160        Theosofia 108/4 · augustus 2007

Dit zou een van de reden kunnen zijn waarom HPB over het werken met de GL zei: Gewone intellectuele activiteit verloopt langs gebaande wegen in de hersenen en vereist geen plotselinge aanpassingen en vernietigingen in hun substantie. Maar deze nieuwe soort van mentale inspanningen vraagt om iets totaal anders- het scheppen van “nieuwe hersenpaden”, het tot stand brengen van een andere orde in de kleine levens in de hersenen.14

Uit: The Theosophist, juli 2006
Vertaling: FvI

Documentatie

1 The Secret Doctrine (SD) I TPH Adyar 3 vol.ed. pp 20-1. Nederlands (Ned) De Geheime Leer I (GL) [21]

2 Ibid p.14. Ned: [15]

3 Eleventh Book of the Srimad Bhâgavata.

4 SD I p 8. Ned: GL [8]

5 Ibid p.16. Ned. [16]

6 Idem.

7 SD V 1962 TPH Adyar 6 vol.ed. Ned: De Geheime Leer deel III p.608

8 SD I 2003 p.78 Ned: [78]

9 The Future of Humanity. First Conversation Brockwood Park 11 juni 1983

10 Idem.

11The Future of Humanity. Second Conversation Brockwood Park 20 juni 1983

12 Idem.

13 The Future of Humanity. First conversation.

14 Robert Bowen Madame Blavatsky on How to Study Theosophy. TPH Adyar pp.12-13. Ned: Robert Bowen: Madame Blavatsky over de studie van theosofie. UTVN Amsterdam

De eerste les die in de esoterische filosofie geleerd wordt, is dat de onkenbare Oorzaak de evolutie niet voortbrengt, maar slechts periodiek verschillende aspecten van zichzelf toont aan eindige Denkvermogens.
Nu is het collectieve Denkvermogen – het Universele – hoe oneindig ook in de gemanifesteerde Tijd,
toch eindig vergeleken bij de ongeboren en onvergankelijke Ruimte in zijn hoogste wezenlijke aspect. Dat wat eindig is kan niet volmaakt zijn.


H.P. Blavatsky