TVN Home » Tijdschrift Theosofia » 2007 » Februari » Boek & periodiek > Rudolf Otto, het Heilige
Rudolf Otto, Het Heilige

Boek & periodiek > Rudolf Otto, het Heilige

De in deze rubriek gerecenseerde boeken zijn voor uitleen beschikbaar in de Theosofische Bibliotheek te Amsterdam.

Het Heilige. Over de buitenredelijke kant van het goddelijke. Door Rudolf Otto.

De Appelbloesem Pers – Abraxas Amsterdam 2002. Derde druk vertaald en geheel herzien door Daniël Mok. ISBN 90 80300 1 7, 24,90

Rudolf Otto (1869 –1937) was een Duitse protestantse theoloog en godsdienstfilosoof. Het Heilige kwam uit in 1917 en het is zijn bekendste boek.

Otto schrijft in Het Heilige nadrukkelijk over de autonomie van de religie waarmee hij de overgave aan God in het geloof aangeeft. In het bijzonder het geloof zoals het vorm krijgt in de christelijke traditie. Volgens Otto ontwaakt het geloof door het ervaren van het heilige. Het je aangesproken weten ”van de andere kant”, vanuit de wereld van God. Geraakt worden door dat wat hij het ‘numineuze’ noemt afgeleid van numen dat godheid betekent. Een synoniem voor het goddelijke. Het gevoelsmatig beleven van het heilige wordt sterk benadrukt. Maar in zijn voorwoord zegt Otto: “Dit boek is onder erkenning van het enorme belang van het niet-rationele voor de metafysica, een serieuze poging om heel nauwkeurig het gevoel te analyseren dat overblijft waar dat concept tekort schiet en om een terminologie te introduceren die ondanks de noodzaak gebruik te maken van symbolen daardoor toch niet vrijblijvend of onbepaald is”.

Otto erfde van Kant het idee dat het de rede is die onvermijdelijk en noodzakelijkerwijs de ideeën over God, vrijheid en onsterfelijkheid produceert.

Hij zag religies als meer of minder ontwikkeld. Niet alleen in morele kwesties maar ook in het geassocieerd zijn met het concept God en de vergeldingen en beloningen van een hiernamaals. Omdat het Boeddhisme geen God heeft is het volgens Otto minder ontwikkeld dan het christendom. In 1917 stond hij daar niet alleen in.

In Het Heilige gaat Otto op zoek naar de buitenredelijke kant van het goddelijke via de rede.

Hij zoekt het meest eigene van het religieuze in de niet rationele ervaring van wat hij het ‘numineuze’ noemt. Het numineuze is dat wat ons diep aangrijpt en ontroert zonder dat wij het kunnen benoemen. Het raken van het heilige brengt een proces opgang dat de ervaringen steeds dieper maakt. Er ontstaat een “tremendum” een gevoel van huivering, van perplexiteit die het “creatuurgevoel” veroorzaakt, een gevoel van eigen nietigheid. Otto beschrijft een gevoel van overmacht, het “majestas” te vergelijken met ongenaakbaarheid. Tenslotte sluiten de momenten van het tremendum en het majestas nog een derde moment in dat de “energie”van het numineuze wordt genoemd. Een levendige energie die zich kan uiten in “orge”, toorn dat uitgedrukt wordt in de symbolische termen: levendigheid, hartstocht, aangedaan zijn in het gemoed, door wil, kracht, beweging. Er ontstaat opgewondenheid, werkzaamheid, drang. Zij vormen het moment van het numen dat, waar het wordt ervaren, het gemoed van de mens  activeert en met dynamiek aanzet tot het ijveren tegen de wereld en de verlangens.

Een ander begrip dat naar voren komt is het “fascinans”. Het numineuze doet niet alleen huiveren in een van de eerste fasen na de aanraking, het trekt ook aan, het fascineert en het kan verstikken. Men kan zich er mee vereenzelvigen op een magische manier door formules als wijding, bezwering, inzegening, en uitdrijving.

38        Theosofia 108/1 · februari 2007

Het uit 1917 daterende onderzoek is gebaseerd op de bijbel en op de toen bekende evangeliën. Religieuze hymen en muziek worden erbij betrokken.

Otto deed ook onderzoek naar de Oosterse religies. Vooral de Bhagavad Gita heeft indruk gemaakt en wordt aangehaald.

“Het kan allemaal niet zo eenvoudig zijn als bijvoorbeeld Plotinus het voorstelt: ‘De ziel wordt overweldigd door de schoonheid en goedheid van haar oerbron die plotseling bereikbaar is als men zich ervoor open stelt’, schrijft Otto. Het moet verklaard worden uit Abraham’s ervaring: “Wanneer gij nu uzelf hebt opgegeven, zie, zo ben ik en gij zijt niet” (Spamer Texte aus der deutschen Mystik.) Of: “Waarlijk! Ik en alle creatuur zijn niets. Gij bent alleen, en gij bent alle dingen”(Spamer).

Bij Otto gaat het bij religie niet om het simpele goddelijke maar voornamelijk om de macht en de eerbiedwaardigheid waardoor volgens hem het goddelijke wordt belichaamd, gesymboliseerd en geconcretiseerd. Dat kan lijken op een heiligheid die geschapen is naar eigen beeld en gelijkenis.

De Theosofie en Annie Besant worden dan ook niet gezien als iets van betekenis voor het heilige. Sterker nog in zijn woordenlijst achter in het boek vinden we:

Theosofie: poging om met fantastische middelen een wetenschap van God en het goddelijke te vormen. Otto legt dat ongeveer zo uit: als het ideogram van de toorn Gods niet goed begrepen wordt komt de schijnwetenschap van Theosofie te voorschijn die overeenkomstige gevoelsuitdrukkingen verwisselt met rationele begrippen, terwijl deze dan weer worden gesystematiseerd en er een monstrum van wetenschap over het goddelijke wordt uitgesponnen en met Indiase bloemetjes wordt klaargemaakt zoals door Annie Besant.

Hierbij kunnen we vermoedelijk denken aan de zevenvoudige samenstelling van de mens in de Theosofie die toch ook te herkennen is in de uitleg van Otto over het benaderen van het heilige. Het verschil ligt in de benadering. Theosofie staat dicht bij Plotinus. Men kan zich open stellen voor het heilige in een staat van overgave als alle begrippen die in het denken liggen zijn losgelaten. In dat loslaten ligt dan de worsteling van de mens. De gevoelens van angst en overmacht, van aantrekking en afstoting verdwijnen tijdens het proces van het loslaten van het afgescheiden zelf. Het heilige wordt dan ervaren als heelheid, het fragmentarische is er niet meer. De geestelijke ziel is verenigd met zijn afkomst.

In 1917 was er nog bijna geen sprake van Eeuwige of Archaïsche wijsheid als achtergrond van alle religies waarvan Theosofie een uitdrukking is. En zeker niet van enige overeenkomst voor wat het heilige betreft tussen andere religies en het volgens Otto veel meer ontwikkelde christendom. Toch geeft het boek een beeld van een zeer waardevol onderzoek al verdedigt het een persoonlijke visie. Het legde de nadruk op een gevoelsmatige benadering van het geloof en dat was in het protestantisme een vernieuwing.

Daniël Mok heeft de tweede druk uit 1963 van deze vertaling uit het Duits stilistisch gemoderniseerd. Soms voegt hij paginalange passages toe, maar hij geeft niet altijd de bronvermelding aan. De passages helpen wel bij de soms wel erg kort ingevulde tekst van Otto. Het boek heeft geen index.