TVN Home » Tijdschrift Theosofia » 2007 » Februari » Henry Steel Olcott, met name genoemd, Fay van Ierlant
H.S. Olcott

Henry Steel Olcott, met name genoemd, Fay van Ierlant

In de Grote Nederlandse Larousse Encyclopedie (Nederlandse uitgave 1977 deel 17) staat het volgende vermeld:

Olcott. (Henry Steel). Amerikaans theosoof. (Orange, New Jersey 1832Adyar Madras, 1907). Hij was een pionier van het landbouwonderwijs. Hij nam als officier van het noordelijk leger aan de secessieoorlog deel. Met Blavatsky richtte hij in 1875 de Theosophical Society in New York op en reisde met haar naar India (1878), waar hij te Bombay en Adyar leefde. Hij schreef o.a. Old Diary Leaves (1895-1904)”.

Josephine Ransom schrijft in haar A Short History of the Theosophical Society (TPH Adyar 1989) een hoofdstuk over de voorouders van Henry Steel Olcott. Colonel Olcott blijkt af te stammen van een Engelse puriteinse familie Alcocke. In het familiewapen van de Alcocke’s komen drie hanenkoppen voor. In het familiewapen van Helena von Hahn, de meisjesnaam van Helena Blavatsky staat een fiere haan. In het theosofische hoofdkantoor in Adyar is de staande haan van de Von Hahn’s afgebeeld met de drie hanenkoppen van de Alcocke’s in een driehoek er omheen in een bas-reliëf boven de deuren van de vroegere bibliotheek in de grote hal.

Was het een toeval dat deze twee mensen met elkaar in aanraking kwamen?

Brief 44 in de Nederlandse uitgave van De Mahatma Brieven aan A.P. Sinnett (TUP 1979) geeft antwoord op deze vraag.

Op 17 november 1882 zou de zevenjarige proeftijd die aan de Theosophical Society bij haar oprichting werd gegeven aflopen. Mahatma M schrijft:

Theosofia 108/1 · februari 2007        19

Een of twee van ons hoopten dat de wereld in intellectuele zo niet intuïtieve zin zover was gevorderd dat de Occulte leer intellectueel ingang kon vinden en de stoot tot een nieuwe cyclus van occult onderzoek kon worden gegeven. Anderendie, zoals het er nu uitziet verstandiger warenverschilden van oordeel, maar de toestemming om de proef te nemen werd gegeven. Daarbij werd echter bedongen dat het experiment onafhankelijk van onze persoonlijke leiding zou worden uitgevoerd; dat er geen abnormaal ingrijpen door onszelf zou plaats vinden. Zo vonden we in Amerika de man die als leider kon dieneneen man met grote morele moed, onbaatzuchtig en met andere goede eigenschappen. Hij was op verre na niet de beste maar hij was de beste die beschikbaar was. Wij brachten hem in aanraking met een vrouw met exceptionele en wonderbaarlijke begaafdheden. Gepaard aan deze had zij grote persoonlijke gebreken, maar zoals zij was leefde er geen tweede die voor de taak geschikt was. Wij zonden haar naar Amerika, brachten hen bij elkaaren de proef begon. Al meteen werd haar zowel als hem duidelijk te verstaan gegeven dat de uitslag geheel van hen afhing. En beiden boden zich aan voor de proef voor een zekere beloning in de zeer verre toekomst, zoals – om met KH te spreken – soldaten die zich vrijwillig melden voor een wanhopige onderneming”.

In New York in 1874 bestond grote belangstelling voor het spiritisme. Colonel Olcott en Helena Blavatsky (HPB) probeerden de spiritisten zo ver te brengen dat zij “het gedrag en de voorgewende psychische gaven van hun mediums nauwkeuriger zouden onderzoeken en dat zij geduldig zouden luisteren naar de theorieën over geestverschijningen en over contact met de doden” zoals Olcott schrijft in zijn Old Diary Leaves (TPH Adyar 1974 First series p.72). Om dat te bevorderen schreef Olcott een circulaire waarin hij een en ander uitlegde. Hij vroeg aan HPB of hij kon ondertekenen met zijn eigen naam of de circulaire anoniem zou laten. Het antwoord was dat de ondertekening naar instructie van de Meesters moest luiden: “Van het comité van zeven, de Broederschap van Luxor”.

HPB legde aan Olcott uit dat hun werk in Amerika onder toezicht stond van zeven adepten van de Egyptische afdeling van de Universele Mystieke Broederschap. Die afdeling werd ‘De Broederschap van Luxor’ genoemd. De voornaamste adept van die afdeling noemde zichzelf Serapis Bey (HPB Isis Unveiled vol.II 1972 TUP note p.308). Olcott schrijft hierover in zijn Old Diary Leaves, first series p.76 “Niets in mijn eerste occulte ervaringen tijdens de periode met HPB heeft een diepere indruk op mij gemaakt dan het bovenstaande. Het toonde aan dat ruimte geen belemmering is voor het overbrengen van suggesties van de leraar naar het brein van de leerling en het ondersteunt de theorie dat bij het uitvoeren van wereldwerk de tussenpersoon dikwijls werkelijk geleid kan worden door controlerende bestuurders om dingen te doen die zij gedaan willen hebben zonder dat hij er zich van bewust is dat zijn denkvermogen niet alleen maar functioneert onder de impuls van zijn eigen controlerende Ego. Als we deze theorie toepassen op de hele historie van de Theosophical Society kan niemand zeggen in hoeveel van de voorgevallen gebeurtenissen iemand van ons onbewust heeft gedaan wat gedaan moest worden en wat niet gedaan zou zijn als er geen invloed buiten ons de aanzet had gegeven. En hoeveel van de ellendige fouten, vergissingen en schadelijke excentriciteiten die zijn gebeurd of vertoond door iemand van ons zijn te wijten aan het feit dat het aan ons werd overgelaten om onze eigen verkeerde impulsen te volgen als resultaat van onze temperamenten, van onze onwetendheid, morele zwakte of vrome vooroordelen?”

20        Theosofia 108/1 · februari 2007

Daarna stond Colonel Olcott in New York voortdurend met Serapis in contact. De brieven van Serapis zijn gepubliceerd in Letters from the Masters of Wisdom, second series samengesteld door Jinarajadasa (TPH Adyar 1977). Het zijn vooral bemoedigende brieven waarin de woorden “Try” (probeer) en “Patience” (geduld) veelvuldig voorkomen. In Brief 17 p.39 schrijft Serapis dat de Broederschap goed bekend is met de kwaliteiten van broeder Henry. Serapis noemt de bijzondere vermogens van zijn analytische verstand en de sterke gave om spirituele waarheden te halen uit de dode letter van schijnbare tegenstrijdigheden.

In het boek Letters from the Masters of Wisdom, second series p.57 gaat Jinarajadasa in op het karakter van Colonel Olcott omdat hij aan wil geven dat, ondanks zijn tekortkomingen waarvan soms in de brieven melding wordt gemaakt, Olcott totaal was toegewijd aan de Meesters en hun werk. Hij schrijft dat het moeilijk was voor Olcott om zich los te maken van de langdurige gewoonte om te oordelen naar uiterlijkheden. Alhoewel hij wist dat HPB een occultist was en een tussenpersoon van de Meesters wiens instructies zij uitvoerde, bleef hij oordelen naar uiterlijke omstandigheden in plaats van af te wachten, vooral als hij het niet begreep. In administratie en zakelijkheid was hij beter dan HPB, maar in occulte aangelegenheden begreep hij haar dikwijls niet en de brieven roepen hem dan tot de orde.

De kortste waarschuwing is een brief met als afzender Mahatma M maar getekend door Serapis: “H.S.Olcott President van de Theosophical Society wordt het van nu af verboden om geïmproviseerde lezingen te geven” (Brief 36 Letters from the Masters of Wisdom second series). Het bleek dat Olcott de gewoonte had om aan het begin van een lezing te vragen:”Over welk onderwerp zouden jullie willen dat ik het ga hebben ?”Als er dan een onderwerp zoals mesmerisme of iets anders waar hij veel van wist naar voren kwam was er niets aan de hand. Maar als er iets opkwam waar hij niet sterk in was kon het mis gaan.

In 1880 gingen HPB en Colonel Olcott voor de eerste keer naar Ceylon, het tegenwoordige Sri Lanka. Op 25 mei 1880 legden zij de Boeddhistisch geloften af, de Panchasila die vijf geboden voorschrijft: niet doden, niet stelen, niet onkuis zijn, niet liegen, geen bedwelmende middelen gebruiken. Op p.168 van de Old Diary Leaves second series schrijft Olcott daarover:

“Maar om een gewone boeddhist te zijn is één ding en een vervalste moderne sektarische boeddhist is iets totaal anders. Als het Boeddhisme ook maar één dogma had verkondigd dat we verplicht waren aan te nemen zouden we de Pansil niet hebben afgelegd en geen tien minuten boeddhist zijn gebleven. Ons Boeddhisme was dat van de Meester-Adept Gautama Boeddha, dat toevallig ook de wijsheidsreligie is van de Arische Upanishads en de ziel van al de oude wereldreligies. Ons Boeddhisme was in één woord een filosofie, niet een geloof”.

Theosofia 108/1 · februari 2007        21

Colonel Olcott zag het als zijn missie om het Boeddhisme te zuiveren van de opgekomen dogma’s die weer de oorzaak waren van het ontstaan van de verschillende boeddhistische sekten. Hij reisde daarvoor door de heel de oosterse wereld tot in Japan en richtte diverse boeddhistische scholen op.

In Old Diary Leaves  third series p.73. kunnen we lezen hoe er een verschil ligt tussen het werk van de Theosophical Society en persoonlijke altruïstische acties. Het is niet het werk van de Vereniging om in te gaan op kwesties als dieet, onmatigheid, het hertrouwen van weduwen, sociale misstanden, vivisectie en zo meer. Maar als individuen zijn de leden natuurlijk vrij om zich te mengen in die discussies en activiteiten. De Theosophical Society negeert het onderscheid tussen de seksen omdat het Hoger zelf geen sekse heeft; ook negeert zij huidskleur omdat DAT niet wit, zwart, rood of geel is zoals de mensenrassen. Ook rang en stand, weelde en politieke positie worden gezien als beperkingen van dat wat we in werkelijkheid zijn. Olcott schrijft letterlijk (p.74): “Dat is waarom ik, als President de Society nooit compromitteer met de ene of de andere kant van deze kwesties. Het Hindoe College in Benares van Mevrouw Besant, mijn drie Boeddhistische Colleges en tweehonderd scholen in Ceylon en de Pariah (Harijan) vrije scholen in Madras zijn allemaal individuele activiteiten, niet van de Society”.

Aan het einde van de negentiende eeuw waren de onrechtvaardigheden van de diverse koloniale besturen op Ceylon nog duidelijk aanwezig. De Portugezen hadden een strikte katholieke moraal ingevoerd waarbij Hindoes en Boeddhisten werden gezien als heidenen. Hun huizen werden verbrand en de vrouwen werden onteerd. Voor de Nederlanders die daarna kwamen waren kinderen geboren uit een boeddhistisch huwelijk onwettig zolang de ouders geen christelijk huwelijk aangingen. Ook onder het laatste koloniale regime van de Engelsen waren er nog allerlei beperkende maatregelen voor niet-christenen. Colonel Olcott is naar Londen gereisd om de onrechtvaardigheid daarvan aan te tonen aan de Graaf van Derby die minister van koloniale zaken was in 1884. Hij heeft veel recht kunnen trekken (Old Diary Leaves third series Chapter X p.117). Op Ceylon, het tegenwoordige Sri Lanka is men hem nog steeds dankbaar.

In Old Diary Leaves  second series p.206 verwijst Olcott naar het getal 7 dat zo nauw verbonden is met de kleine en grote evenementen in de Theosophical Society en met de leringen. Het is dan ook treffend dat Colonel Olcott op 17 februari 1907 om 7 uur 17 zijn lichaam verlaat. Hij wordt in de middag gecremeerd bij de Adyar rivier. De volgende morgen wordt zijn as uitgestrooid in de zee.

Colonel Olcott had van al zijn talenten een werelds succes kunnen maken. Hij begon in weelde en in een hoge sociale positie. Al in 1878 verloor hij zijn kapitaal en zijn positie. Hij legde al zijn bijzondere talenten op het altaar van een groot ideaal. Zijn offer was totaal.