TVN Home » Tijdschrift Theosofia » 2007 » Februari » Inspiratie uit het verleden, John Algeo
John Algeo

Inspiratie uit het verleden, John Algeo

De Romeinse god Janus had twee tegengestelde gezichten, één gericht op de toekomst en de andere naar het verleden. Net zoals die oude Romeinse god moet ieder van ons ook in beide richtingen kijken – vooruit en achteruit. Wij kunnen de toekomst niet vol vertrouwen voorspellen, omdat er te veel onzekerheden zijn, te veel variabele krachten die daarop inwerken. Maar wij kunnen wel naar de waarschijnlijkheden kijken die voor ons liggen en ons daarop beraden.

Om effectief de toekomst te kunnen plannen, moeten wij ook naar het verleden kijken. Wij moeten ons herinneren wat er gebeurd is, omdat wat eens gebeurd is, weer kan gebeuren. De filosoof George Santayana schreef: ‘Vooruitgang bestaat helemaal niet uit verandering, zij hangt af van het vermogen om de dingen uit het verleden vast te houden. Zij die zich het verleden niet kunnen herinneren, zijn gedoemd het te herhalen.

Dus moeten wij, net als de Romeinse god Janus, in twee richtingen kijken, zowel vooruit als achteruit. Als we denken over het pad dat wij besluiten te volgen, uit de vele paden die naar de ene Waarheid leiden, zou het nuttig zijn terug te kijken naar de richtingaanwijzers die onze voorgangers voor ons hebben uitgezet. Welke inspiratie kunnen wij sprokkelen uit het verleden om ons te helpen onze toekomst te kiezen?

Om die vraag te beantwoorden, heb ik een enkele korte aanhaling geselecteerd uit de openingsredes van ieder van onze zeven internationale voorzitters. Deze openingsredes zijn in hun geheel te lezen op de website van het Theosophical Institute (www.theosophicalinstitute.org), waar zij de centrale kern vormen van een elektronische leercursus over de zeven voorzitters, getiteld ‘Wanneer gij één bent met ieder hart dat klopt’. Er hadden vele andere selecties uit diezelfde bronnen gemaakt kunnen worden. Maar ik bied deze paar bloemen, geplukt uit de rijkbloeiende tuinen van de presidentiële geschriften als een krans van inspiratie uit het v erleden voor onze eigen toekomst.

30        Theosofia 108/1 · februari 2007

1. Om te beginnen dan met onze President-Stichter, Henry Steele Olcott, volgt hier de eerste zin uit zijn openingsrede, uitgesproken op 17 november 1875, in de Mott Memorial Hall in New York. De kolonel zei:

Als eens in de toekomst de onpartijdige geschiedschrijver schrijven zal over de vooruitgang van de godsdienstige ideeën van deze tijd, zal zeker de oprichting van deze theosofische vereniging, waarvan wij nu de eerste officiële bijeenkomst bijwonen, niet onopgemerkt blijven.

Dat was een dappere verklaring voor een organisatie van weinig mensen, waarvan niemand een heel bekende reputatie genoot, bovendien een organisatie met weinig middelen, afgezien van de visie en de talenten van haar stichters. En toch…was die verklaring profetisch.

De Theosophical Society is altijd een kleine organisatie geweest. Bovendien lijkt wat al snel haar voornaamste doelstelling zou worden ontworpen om dat zo te houden. De eerste Doelstelling van de Society is ‘Het vormen van een kern van de universele broederschap der mensheid’ zonder enig onderscheid. Nu is universele broederschap zonder onderscheid een heel grote en zeer veelomvattende zaak. Maar het doel van de Society is niet het vormen van universele broederschap. Het is zelfs een fundamenteel theosofisch principe dat de universele broederschap der mensheid, en juist van alle leven, een feit is in de natuur. Dus kan het niet iets zijn dat nog gevormd moet worden. Het is er al. In plaats daarvan is de eerste doelstelling van de TS het vormen van een kern van die broederschap.

Volgens een woordenboekdefinitie is een kern ‘een centraal punt, groep, of massa waaromheen verzameling, concentratie of aangroei plaatsvindt.’ Centrale punten zijn geen erg grote dingen; in feite zijn zij heel kleine dingen. Maar de kern van een cel is essentieel voor het functioneren van de cel. Kernen zijn kleine dingen met grote gevolgen. Een kern verzamelt andere dingen om zich heen; hij wordt het middelpunt van een concentratie van andere dingen; het is een centrum waaromheen andere dingen aangroeien.

De TS heeft, ondanks haar kleine omvang, een verbijsterende invloed gehad op bepaalde aspecten van het moderne leven, zowel in het Westen als in het Oosten. In dit stuk is er geen tijd of plaats om hier in detail op in te gaan, maar zij strekt zich uit tot kunst, muziek, literatuur, onderwijs, politiek, spiritualiteit en een algemeen bewustzijn van noties zoals karma en reïncarnatie. Een deel van de invloed van de Society is rechtstreeks en erkend; een veel groter deel is indirect en in zijn algemeenheid onbekend gebleven. Toch worden ook vandaag de dag de woorden van de kolonel gerealiseerd, daar onpartijdige wetenschappers zijn opgehouden de TS te negeren en zijn begonnen haar invloed op ‘de voortgang van religieuze denkbeelden’ sinds de late negentiende eeuw te erkennen en te analyseren. Wat in 1875 misschien zou hebben geklonken als ijdele opschepperij met marginale mogelijkheden om tot werkelijkheid te worden is 130 jaar later een eenvoudig feit geworden.

Theosofia 108/1 · februari 2007        31

De reden dat wij de voorspelling van de kolonel dienen te onthouden en er inspiratie aan kunnen ontlenen is deze: Het maakt geen verschil met hoe weinig mensen wij zijn. Het maakt geen verschil hoe beperkt onze bronnen misschien zijn. In de mate waarin we inzicht hebben in Waarheid en in de mate dat die Waarheid, zoals alle Waarheid, licht zal werpen in de duisternis van menselijke onwetendheid, de pijn van menselijk lijden zal verzachten en anderen zal oproepen haar vreugdevol te omarmen – in die mate zal onze kleine kern anderen om zich heen verzamelen, hun pogingen concentreren en haar invloed uitbreiden naar de grotere gemeenschap van de universele broederschap van de mensheid.

De TS heeft een significante rol gespeeld in het verleden. Zij heeft een nog belangrijker rol te spelen in de toekomst. Aan ons de taak onze rol te spelen.

2. Onze tweede grote Presidente, Annie Wood Besant, zei in haar openingsrede op 26 juni 1907: ‘ De Society afficheert zich als een kern van universele broederschap en haar specialiteit als zo’n broederschap wordt aangegeven in haar naam – theosofisch. Haar functie is het verspreiden en uitdragen van theosofie, de goddelijke wijsheid, de brahma vidya, de gnosis, het licht aller lichten, opdat de mens God zal kennen, opdat hij de kennis zal verwerven die het eeuwige leven is, omdat hij zelf bestaat uit die natuur die hij probeert te leren kennen.

Ja, de Society is een kern van universele broederschap en de Society heeft een rol te spelen in de wereld. Maar welke is die rol? Individuele theosofen kunnen voor veel activiteiten gevraagd worden, alle waardevol en eerzaam. Misschien zijn zij opleiders, vredestichters, sociale hervormers, genezers, leiders, entertainers, troosters, vernieuwers, conservatoren of stille werkers in vele andere wereldse activiteiten. Maar de TS heeft een enkele onderliggende functie, een enkel onuitgesproken doel. En dat is het bekendmaken en verspreiden van theosofie.

Theosofie is niet gewoon maar een hoeveelheid leringen over karma, reïncarnatie, menselijke evolutie enzovoort. Dat zijn belangrijke dingen, maar zij zijn niet de essentie van theosofie. Theosofie is essentieel een glimp in de kern van ons wezen, in de aard van de Realiteit – de Realiteit rondom ons en de Realiteit binnenin ons – en het is een erkenning dat die twee Realiteiten één en dezelfde zijn. Zoals Annie Besant zei, wijzelf zijn van die natuur die wij trachten te leren kennen.

Er is maar één vraag waarvan het van ultiem belang is het antwoord te weten: Wie ben ik? In zijn gedicht ‘The Love Song of J. Alfred Prufrock’ heeft T.S.Eliot het over ‘een overweldigende vraag’, en hij voegt daar meteen aan toe, ‘O, vraag niet “Wat is het?”’ Veel mensen gaan door het leven terwijl ze alles doen wat ze kunnen om te voorkomen dat zij die vraag moeten stellen. Maar theosofie is in wezen het antwoord op die overweldigende vraag.

Het is merkwaardig, en sommigen hebben het vreemd gevonden, dat de drie doelstellingen van de TS geen melding maken van theosofie. Deze weglating was kennelijk opzettelijk. Theosofie te vermelden als doel van de Society zou het aanmoedigen betekenen van diegenen die theosofie beschouwen als een massa denkbeelden die definieerbaar is, waar je een lijstje van kunt maken en die je kunt inperken. Maar theosofie gaat over het ondefinieerbare, het niet benoembare en het onbegrensde. Theosofie gaat over wie wij zijn, de natuur die wij proberen te leren kennen. De Society bestaat om die kennis te verkondigen en te verspreiden, geen feitenkennis maar directe, onmiddellijke, innerlijke kennis van wie wij zijn. Dat is theosofie.

32        Theosofia 108/1 · februari 2007

De reden waarom wij Annie Besant’s karakterisering van de functie van de Society en van de aard van de theosofie moeten onthouden is dat wij voortdurend het risico lopen om tot dogmatisme te vervallen, om een sekte te worden die kibbelt over kleine waarheden en daarbij de grote Waarheid vergeet, de Waarheid van de eenheid met de natuur en van onze identificatie met die eenheid.

3. Onze derde internationale President was George Sydney Arundale. In zijn openingsrede van 21 juni 1934 vestigde hij de aandacht op een aspect van de Society dat wij vergeten zijn, tot ons verlies en tot verarming van de Society. Hij zei, ‘ Deze Oudere Broeders, de oorspronkelijke Stichters van de TS, zijn inderdaad haar hart en haar leven; en alleen wanneer wij opzettelijk opnemen binnen de allesomvattende kring van broederschap niet alleen hen die na ons komen op het pad van evolutie, maar ook, in alle eerbied, Degenen die ons voorgegaan zijn en ons wenken om Hen te volgen, pas dan maken wij die cirkel compleet, en geven aldus een volledige en ongebroken realiteit aan onze Eerste Doelstelling .’

De universele broederschap van onze eerste doelstelling is niet beperkt tot onze mensheid. Zij is groter dan wij. Zij omvat ook die levensvormen die ons volgen op het evolutionaire pad: vooral dieren, maar ook het plantenrijk, en alle minder ontwikkelde vormen van bestaan rondom ons. Maar zoals Arundale al zei, wij zijn niet het toppunt van de evolutie. Er zijn er die ons voorgegaan zijn en die ons nu voorbij zijn. Zij zijn ons even ver voor als wij de spraakloze dieren van veld en oerwoud. Sommigen van hen, in hun natuurlijk en onmetelijk mededogen, zijn teruggekeerd in de menselijke omstandigheden, die zij overigens volkomen ontgroeid zijn; zij zijn voor ons de grote leraren van de mensheid geworden: Boeddha, Christus, Krishna, Zoroaster, Confucius en de vele anderen in hun soort.

Een klein aantal van die oudere broeders heeft een speciaal project op zich genomen. Die paar waren, lijkt het wel, minder vergevorderd dan de grootste der Wereldleraren die ons diverse wegen naar de ene Waarheid getoond hebben. Toch waren zij nog oudere broeders voor onze opgroeiende mensheid. Het project dat zij op zich namen was het vormen van de TS. Voor dit doel kozen zij de Theosofische tweeling, Henry Olcott en Helena Blavatsky, om sleutelfiguren te zijn bij de stichting.

De reden waarom wij ons de herinnering van George Arundale zouden moeten herinneren over wat de cirkel compleet maakt is tweeledig. Allereerst zijn wij maar een tussenschakel in de evolutionaire keten die zich uitstrekt van de laagste vormen van voelend leven op deze planeet tot de hoogste vormen van spiritueel bewustzijn in de kosmos. Een alert bewustzijn van dat feit zou onze mening over onze eigen belangrijkheid binnen de perken moeten houden. Maar ten tweede, en misschien belangrijker, zou het ons bewust moeten maken van het feit dat de TS niet van ons is. Menselijke wezens zoals wij waren niet de veroorzakers ervan; menselijke wezens zoals wij – namelijk, Olcott en Blavatsky – waren slechts de vroedvrouwen. U en ik zijn niet de eigenaars van de Society; wij zijn haar beheerders. De veroorzakers en de eigenaren van de Society zijn ons ver voor op de evolutionaire boog. Door een deel te vormen van de kern van de Society, hebben wij een opdracht geërfd. Trouw zijn aan die opdracht, werken als trouwe beheerders, is van groot belang.

Theosofia 108/1 · februari 2007        33

4. De vierde president van de Society was C. Jinarajadasa, of Broeder Raja, zoals hij liefdevol bekend stond, zelfs bij mensen die hem nooit persoonlijk gekend hebben. In zijn openingsrede van 17 februari 1946 zei Broeder Raja het volgende: ‘ Theosofie, de Goddelijke Wijsheid, zoals wij die vandaag de dag bezitten, is alleen maar die kleine massa Waarheid die ten grondslag ligt aan de steeds veranderende feiten, niet alleen van onze aardbol en van onze mensheid, maar van de hele kosmos; onze verbeeldingskracht is niet toereikend om ons voor te stellen dat zelfs de grootste adepten de volledige goddelijke wijsheid zouden kennen die ieder probleem van dit uitgestrekte universum van een paar miljoen zonnestelsels verklaart.’

Met die bewering maakte Broeder Raja een onderscheid dat vaak over het hoofd gezien wordt maar dat van vitaal belang is. De term theosofie wordt op twee manieren gebruikt, soms met twee betekenissen tegelijkertijd. Het uit het Grieks afkomstige woord theosofie kan redelijkerwijs vertaald worden in rechtstreeks Nederlands als ‘goddelijke wijsheid’ of het equivalent in andere talen, zoals het Spaanse ‘Divina Sabiduria’. Maar Broeder Raja maakt onderscheid tussen ‘de volledige goddelijke wijsheid’ (dat wil zeggen, ultieme absolute Waarheid) en ‘de goddelijke wijsheid, zoals… die kleine massa Waarheid’ die onze theosofie vormt.

Broeder Raja weet zeker dat zelfs de grootste adepten, waaronder de oudere broeders die de TS begonnen, niet volledig ‘de complete goddelijke wijsheid’ kennen omdat zij absoluut is, en alle kennis beperkt en relatief is – zelfs de kennis van de meest wijzen. Onze eigen theosofie, onze ideeën over hoe de dingen werkelijk zijn, is maar een benadering van een deel van die ‘volledige goddelijke wijsheid’. Het is zoveel als wij het vermogen hebben te begrijpen, en ons vermogen is sterk beperkt. Feiten over onze aardbol, onszelf en de kosmos waarin wij leven veranderen voortdurend, omdat alle feiten betrekkelijk zijn. Die voortdurend verschuivende feiten zijn, als het ware, oppervlakkig schuim op de bodemloze oceaan van absolute Waarheid.

De reden dat wij het onderscheid van Broeder Raja tussen theosofie als ‘volledige goddelijke wijsheid’ en theosofie als onze kleine massa Waarheid die aan de basis ligt van de steeds veranderende feiten van het bestaan moeten onthouden, is om arrogantie te voorkomen . Onze theosofie is heel belangrijk voor ons. Zij is heel bevredigend. Zij is heel nuttig. Zij vormt ons specifieke dharma of religieuze leerstelling. Maar wij moeten altijd denken aan het motto van de TS: satyan nasti paro dharmah: er is geen religie hoger dan Waarheid. Waarheid, de ‘volledige goddelijke wijsheid’, is groter dan welke religieuze leringen dan ook, inclusief de onze.

34        Theosofia 108/1 · februari 2007

5. Onze vijfde president, Nilakanta Sri Ram, was een vriendelijke en praktische man. Ik vermeld een iets langer citaat uit zijn openingsrede van 24 februari 1953, in twee passages: ‘ Als onze Society een waarlijk theosofische society moet zijn, en moet voortgaan en haar taak moet vervullen, moet zij een levenswijze van de kant van haar leden belichamen waarin er een steeds dieper wordend begrijpen van broederschap is, en als een wolkenloze hemel die de aarde omspant, een zich steeds verbredende horizon van denken, die steeds nieuwe aanduidingen geeft aan de menselijke geest.’

‘Vandaar dat een ware theosoof niet ingeperkt wordt door enig etiket, enige partij of enige denominatie. Zijn blik is er één die steeds tracht al wat waar, goed en schoon is tot een geheel te maken. Deze synthese kan slechts een uitdrukking zijn van de eenheid die van alles het fundament vormt. Er bestaat geen theosofie hier en waarheid daar, met de mogelijkheid dat daar onenigheid tussen komt… Theosofie is waarheid, en alle waarheid maakt daar noodzakelijkerwijs deel van uit. Maar de Waarheid die hoort bij de essentie van de dingen, en die niet alleen een projectie is van het denkvermogen, is een waarheid die onscheidbaar is van haar effect en handeling. Derhalve is theosofie Wijsheid in actie, en wie een ware theosoof wil zijn is wijs in levenswijze en actie.’

Ik hoef noch kan veel toe (te) voegen aan deze beweringen. Zij spreken voor zich. Zij spreken over de noodzaak van een open denkvermogen, een denkvermogen dat dingen samenbrengt om de eenheid die aan alle schijnbare diversiteit van onze ervaring ten grondslag ligt te erkennen. Zij spreken over de noodzaak om de theosofie te leven, niet alleen maar erover te praten.

De reden waarom wij Sri Ram’s oproep tot openheid, synthese en toepassing dienen te onthouden is dat wij leven in een tijd waarin fundamentalisme in opkomst is, en fundamentalisme hanteert een gesloten en geen open denkvermogen. Wij leven in een tijd waarin specialisatie bloeit, en specialisatie bevordert onenigheid, nauwkeurig onderscheid en niet de synthese. Wij leven in een tijd waarin velen praten over hoe ze moeten lopen, maar waarin ook velen niet lopen zoals ze praten. Voor Sri Ram was de theosofie alomvattend, verenigend en motiverend. Dat zou zij ook voor ons moeten zijn.

6. Onze zesde president, John Balfour Symington Coats, had de meeste namen en de kortste tijd als president. In zijn openingsrede van 26 december 1973 sprak hij over de noodzaak van evenwicht en dienstbaarheid: ‘ Een theosoof in balans is iemand die uitgaat naar de omtrek terwijl hij ingaat naar het centrum – naar binnen om meer te ervaren over de realiteit van het Ene, en naar buiten om dit begrijpen te delen in nuttige dienstbaarheid aan anderen. Dit vraagt van ons dat we de wereld om ons heen trachten te zien zoals zij is en niet zoals wij ons misschien alleen maar verbeeld hebben dat zij is. Vandaar de noodzaak dat ieder van ons zich interesseert voor de wereld waarin wij leven en voor alles wat er gebeurt – in de ontdekkingen van de wetenschap in al zijn facetten, en in de pogingen die gedaan worden door de Verenigde Naties en andere internationale groeperingen om een wijdverbreid begrip teweeg te brengen van de essentiële eenheid van de mens met het universum rondom hem en met zijn medemensen die dichterbij zijn.’

Theosofia 108/1 · februari 2007        35

Net als Sri Ram benadrukte John Coats dat wij ons moeten richten op de wereld om ervan te leren en dienstbaar te zijn. Wij kunnen niet zijn zoals de heremietkrab die zich verstopt in de lege schaal van een ander zeedier. Wij kunnen ons niet terugtrekken in de schaal van een geërfde hoeveelheid ideeën en onszelf afsnijden van de levensstromen. In plaats daarvan moeten wij, net als de nautilus wiens schaal in kamertjes is opgedeeld in het gedicht van Oliver Wendell Holmes, steeds meer statige landhuizen bouwen.

Ofschoon theosofen niet van de wereld moeten zijn, zouden wij wel in de wereld moeten zijn, om ervan te leren en dienstbaar te zijn door theosofie in de wereld te brengen.

7. Onze zevende en huidige presidente is Radha Burnier. In haar openingsrede van 3 augustus 1980 gaf ze de boodschap die de boodschappen van al haar voorgangers samenvatte. Zij zei: “ Een wereld waarvan het lijden eeuwenlang verlengd is omdat het denkvermogen van de mens altijd versplinterd is en uiteengetrokken door uiteenlopende belangen kan niet gediend en nog minder gered worden door een groep mensen die in zichzelf dezelfde kenmerken belichamen die de wereld zo’n verdrietige aanblik bezorgen. Alleen in zoverre als de leden van de Society oprecht en diepgaand een gevoel van altruïsme delen en in de mate dat zij een onzelfzuchtige toewijding hebben aan die Wijsheid die de bron is van juist handelen, zal er een onbreekbare kern van broederschap zijn in het lichaam van de Society, met de energie om velen toe te trekken naar een niet-verdelende, gedeelde levenswijze, hetgeen een zegen zal zijn voor de wereld.

Radha vertelt ons dat onzelfzuchtige toewijding aan de Wijsheid van ware theosofie en de uitdrukking van die devotie in praktisch altruïsme de eigenschappen zijn voor de kern van onze eerste doelstelling. Niets minder is goed genoeg.

Onze invloed op de wereld, waar kolonel Olcott over sprak, onze verklaring over de Goddelijke Wijsheid waartoe Annie Besant ons opriep, de erkenning van onze schuld aan de Groten die de Society begonnen waaraan George Arundale ons herinnerde, de nederigheid waartoe onze eigen beperkingen ons zouden moeten inspireren zoals C. Jinarajadasa al zei, het gebod in praktijk te brengen wat wij prediken dat Sri Ram benadrukte en de noodzaak voor engagement met de wereld die John Coats onderstreepte – al die dingen zijn impliciet in de woorden van Radha Burnier. Deze woorden zijn een oproep waaraan theosofen gehoor moeten geven.

Aan deze korte passages uit zeven grote boodschappen aan alle theosofen kunnen twee zinnen worden toegevoegd uit een boodschap van Helena Petrovna Blavatsky aan een conventie van theosofen in de Nieuwe Wereld – een boodschap die echter vandaag de dag even toepasselijk is als in 1891, toen Blavatsky haar schreef, en die in feite van toepassing is op iedere theosoof in ieder land op de aardbol. HPB schreef: ‘In uw handen, broeders, is ter bewaring gegeven het welzijn van de komende eeuw: en even groot als het beheer is ook de verantwoordelijkheid hiervoor… Moge de zegen van de vroegere en huidige grote Leraren op u rusten.

Uit: The Theosophist, november 2005
Vertaling: A.M.I.

36        Theosofia 108/1 · februari 2007

H.P. Blavatsky schrijft in noot 82 van De Geheime Leer
bij de bespreking van Stanza V van Cosmogenesis [112]:

In 1882 werd de President der Theosofische Vereniging, Kolonel Olcott, ter verantwoording geroepen omdat hij in een zijner voordrachten beweerd had, dat Elektriciteit stof is. Aldus onderwijst echter de Occulte Leer.
“Kracht”, “Energie” mogen er betere namen voor zijn, zolang de Europese Wetenschap zo weinig van haar ware aard weet: maar toch is zij stof, evenals de Ether stof is, daar zij evenzeer atomisch is, hoewel inderdaad verscheidene graden hoger dan laatstgenoemde.

Aan te voeren dat een ding geen stof kan zijn, omdat het voor de Wetenschap “onweegbaar” is, lijkt belachelijk.

Elektriciteit is “onstoffelijk” in die zin, dat haar moleculen niet onderworpen zijn aan waarneming en proefneming; niettemin kan zij – en het Occultisme zegt dat zij dat is – atomisch zijn; daarom is zij stof.

Maar aangenomen zelfs, dat het onwetenschappelijk zou zijn er in dergelijke bewoordingen van te spreken, zodra de Elektriciteit in de Wetenschap een bron van Energie, eenvoudig Energie en een Kracht genoemd wordt, – waar is die Kracht of die energie, die gedacht kan worden zonder aan stof te denken?

Maxwell, een wiskundige en een van de grootste gezaghebbers op het gebied van Elektriciteit en haar verschijnselen, zei jaren geleden dat Elektriciteit stof was en niet slechts beweging.
“Wanneer wij de hypothese aannemen, dat de elementaire substanties uit atomen samengesteld zijn, kunnen wij de gevolgtrekking niet ontwijken, dat ook de elektriciteit, zowel de positieve als de negatieve, verdeeld is in bepaalde elementaire delen, die zich gedragen als atomen van elektriciteit” (Helmholtz, Faraday Lecture, 1881).

Wij willen nog verder gaan dan dat en beweren, dat de Elektriciteit niet alleen Substantie is, maar dat zij een uitstraling is van een Wezen, dat noch God noch Duivel is, maar een van de talloze Wezens, die onze wereld bestieren en leiden overeenkomstig de eeuwige wet van KARMA.
(Zie het aanhangsel op dit Boek).

Bron: uitgave Couvreur