De Geheime Leer als spirituele praktijk

H.P. Blavatsky’s (HPB) voornaamste werk was De Geheime Leer (GL), die volgens een van haar Meesters het product was van de samenwerkende drie: Mahatma M, HPB en Mahatma KH. 1 Toen de GL geschreven werd, was zij ernstig ziek en was haar leven in gevaar. Maar de Meesters moeten dit boek als zeer belangrijk hebben beschouwd, want zij hielden haar in leven terwijl zij pijn had en leed, om deze nalatenschap aan de mensheid  door te kunnen geven.

In de oorspronkelijke vorm bestond de GL uit twee dikke delen en toch zei HPB dat ze een derde deel voorbereid had en dat ze werkte aan een vierde. Maar ze stierf voordat die delen uitkwamen. Zes jaar na haar overgaan gaf haar leerling Annie Besant het derde deel uit en alhoewel sommige mensen volhielden dat het ging om een vervalsing, toont een later onderzoek door Daniel H. Caldwell aan dat het meeste materiaal inderdaad het echte door HPB voorgenomen derde deel was. 2 Het beloofde vierde deel zou bijna helemaal gewijd zijn aan praktische occulte leringen, maar de publicatie hing volgens HPB helemaal af van hoe Deel I en II  ontvangen zouden worden door de theosofen. Helaas is dit deel nooit uitgegeven.

De GL wordt dikwijls gezien als een theoretische samenvatting van metafysische en cryptische leringen. Of als een ‘esoterische’ geschiedenis over het ontstaan van het universum en de mens. In die context kan het boek bestudeerd worden als een uiteenzetting van enige essentiële feiten over de kosmos, de mensheid en het universele plan voor hun ontwikkeling volgens bepaalde onveranderlijke wetten. Dit concept heeft zijn eigen waarde, omdat het voorziet in een diepe en veelomvattende kosmische visie op het bestaan. Omdat de studie van dit onderwerp echter gewoonlijk afgezwakt wordt tot alleen maar een intellectuele oefening met weinig invloed op ons dagelijks leven, kan men zich afvragen of een boek dat zo belangrijk werd gevonden door de Meesters en HPB niet een grotere praktische betekenis moet hebben. Inderdaad zegt Meester KH in een brief aan A.O. Hume:

Dit artikel komt ook als top-artikel op de website www.theosofie.nl

PabloSenderOlcottKleinGrijs

102        Theosofia 108/3 · juni 2007

De waarheden en mysteries van het occultisme vormen inderdaad een geheel dat van het hoogste geestelijk belang is en even diepzinnig als praktisch voor de wereld in het algemeen. Maar zij werden u niet gegeven om de verwarde massa  theorieën en bespiegelingen in de wetenschappelijke wereld te vergroten, maar om hun praktische betekenis voor de belangen van de mensheid.3

Daarom moeten de waarheden van theosofie een werkelijke praktische betekenis hebben voor de mensheid. Het is onze plicht als leden van de TS om de werkelijke diepte van de GL  (en van al de theosofische leringen) te ontdekken, niet als een verzameling van begrippen, maar als een transformerende kracht in onze levens.

Wegwijzers op het Pad

Volgens HPB heeft de GL verschillende sleutels ter verklaring: metafysisch, astronomisch, fysiologisch, psychologisch en zo meer. Daarom zullen we nu proberen deze leringen te overwegen vanuit een psychologisch metafysisch gezichtspunt zoals HPB zou zeggen, op zoek naar een uitleg die het toepassen in ons spirituele leven mogelijk maakt.

Er wordt vermeld dat HPB in een gesprek met een paar studenten gezegd heeft: ‘WAARHEID stijgt uit boven ideeën die we kunnen formuleren en uitdrukken4 en ‘Geen enkel beeld kan ooit de WAARHEID vertegenwoordigen 5 In een ander verband zei J. Krishnamurti (hierna JK) ook: ‘Het onbekende, het grenzeloze kan niet door gedachte (het denken) gevangen worden 6 Iedere authentieke spirituele traditie of lering zegt dat Waarheid ‘het gebied en het bereik van gedachten (het denken) te boven gaat’. Als dat zo is, hoe kan de Waarheid dan gerealiseerd worden? Misschien komt deze vraag op, omdat we gewoon zijn naar gedachten te kijken als naar ons enige instrument, ofschoon dat volgens de theosofische leringen niet zo is. HPB schreef:

Het ONEINDIGE kan niet gekend worden door ons verstand dat alleen maar onderscheid kan maken en bepalen, maar we kunnen wel gewaar zijn van achterliggende abstracte ideeën dankzij het vermogen dat ons verstand te boven gaat – intuďtie of het spirituele instinct. 7

De tekst refereert aan boeddhi of geestelijke intuďtie wat, het vermogen is dat we nodig hebben om Waarheid te kunnen waarnemen. Als de moderne presentatie van theosofie als doeleinde heeft om ons naar dit doel te leiden, moet het ons voorzien van de middelen die ons helpen dit ‘latente vermogen in de mens’ werkzaam te maken, waardoor spirituele werkelijkheden ingezien kunnen worden.

Zo ontkende Mme Blavatsky dat de werkelijke waarde van de GL het leveren van een totaal filosofisch verslag van het bestaan is en zij adviseerde: ‘Neem de GL ter hand zonder enige hoop te koesteren de definitieve Waarheid van het bestaan van haar te vernemen of zonder enig ander idee dan maar te zien in hoeverre zij kan leiden IN DE RICHTING van de Waarheid 8 . Ze zei dat het boek ‘een middel is om het denken te oefenen en te ontwikkelen zoals het nooit door andere studies ontwikkeld is 9 en de juiste manier om dat te doen is dat ‘wat de Indiërs Jńana Yoga noemen’. 10

Theosofia 108/3 · juni 2007        103

Daarom is de informatie die in de GL gegeven wordt niet een doel op zichzelf, maar een middel. Zoals JK zei: ‘het woord is niet het ding’ en dit boek werd juist geschreven om ‘hem (de student) te voorzien van wegwijzers op dat pad.’ 11 Als de student goed werkt met de GL kan het hem voorbij de mentale processen leiden, waar het licht van geestelijke intuďtie kan schijnen. Dat is het waar HPB naar verwijst in de Proloog toen zij schreef: ‘Men moet dan ook bedenken dat al deze stanza’s zich eerder richten tot de innerlijke vermogens dan tot het gewone begripsvermogen van het fysieke brein’. 12

Het is belangrijk om het begrip ‘leren’ voor ogen te houden als men bezig is met theosofische studie. Momenteel zijn we geneigd om naar ‘leren’ te kijken als naar het opnemen van nieuwe informatie die van buitenaf wordt aangereikt. Daarom denken we dat we theosofie kennen, omdat we begrippen uit verschillende boeken verzameld en onthouden hebben. Maar deze kennis raakt alleen de oppervlakte van ons wezen; en daarom is er een hiaat tussen theorie en praktijk. Het ware leren komt van binnenuit, zoals Plato aangaf, en de Stanza’s proberen deze innerlijke kennis wakker te maken, wat misschien datgene is wat wel ‘de archetypen in ons dieperliggende denken’ genoemd wordt. Deze kennis omvat veel meer en heeft een transformerende invloed op ons.

Het ontwaken van spirituele waarneming

We zouden ernstig moeten onderzoeken wat de basis is voor het ontwaken van onze spirituele waarneming. We zeiden al dat het alleen maar onthouden van de informatie die de GL geeft niet genoeg is en we moeten niet denken dat geestelijk inzicht op een of andere duistere manier zal ontwaken door alleen maar te lezen. Dit ‘dieper liggende denkvermogen’ te bereiken is niet zo eenvoudig en er zijn meerdere factoren bij betrokken, zo geeft de theosofische literatuur aan.

HPB zei dat intuďtie opkomt in ‘een toestand waarin men ophoudt het geconditioneerde en persoonlijke “IK” te zijn en men één wordt met het AL13 Dit is ook de kern van de leringen van JK, omdat hij eerst en vooral geďnteresseerd was om ons te helpen bij het transcenderen van de gehele werkzaamheid van ons hersenbewustzijn (kama-manas). In een van zijn dialogen met Dr. David Bohm maakt hij een onderscheid tussen het denkvermogen (the mind) dat universeel en ongeconditioneerd is en het verstand (the brain) dat beperkt is. En hij zegt dat het verstand de basis is van het zelf, terwijl het denkvermogen de bron is van de hoogste vorm van intelligentie. Maar dan komt de volgende vraag naar boven: hoe kan dat denkvermogen handelen door het verstand? Volgens JK is dat alleen mogelijk als er geen besef is van afgescheidenheid.

Als de student goed werkt met de GL kan het hem voorbij de mentale processen leiden, waar het licht van geestelijke intuďtie kan schijnen.

104        Theosofia 108/3 · juni 2007

DB (David Bohm): ‘U gebruikt het woord denkvermogen, niet “mijn” denkvermogen’.

JK: ‘Het denkvermogen is niet “mijn denkvermogen”’.

DB: ‘Het is universeel en algemeen.’

JK: ‘Ja ...’

DB: ‘Dat zou dan eigenlijk inhouden dat, voor zo ver iemand zichzelf ervaart als een afgescheiden wezen, hij dan erg weinig contact heeft met het denkvermogen.’

JK: ‘Heel juist. Dat is wat we zeiden.’14

Dus zowel HPB als JK stelde de noodzakelijkheid van het achterlaten van het ‘zelf’ als een grondvoorwaarde voor het ontwaken van intuďtie. Het is duidelijk dat dit doorbreken van dat besef van afgescheidenheid niet iets is dat bereikt kan worden door eenmalig actie te ondernemen. Al de verschillende aspecten van ons leven moeten op dit doel gericht worden. We zullen ons nu concentreren op hoe de GL ons hierbij kan helpen.

Het eerste grondbeginsel

De grondbeginselen in de Proloog van de GL bevatten verklaringen over de essentiële aard van de kosmos en tegelijkertijd van de mensheid die een spiegel is van het universum. Zoals HPB schreef:

Zoals boven zo is het ook beneden, zoals in de hemel zo ook op aarde; en de mens – microkosmos en het verkleinde beeld van de macrokosmos – is de levende getuige van deze universele wet en van haar manier van werken. 15

Daarom kan de juiste studie van kosmische processen, gezien vanuit een esoterisch standpunt, op meerdere manieren een directe uitwerking op ons hebben. We zullen nu proberen deze grondbeginselen te onderzoeken, niet in hun volle lengte of in al hun bijbetekenissen maar door bepaalde aspecten te belichten die bruikbaar zijn voor een psychologische metafysische verklaring.

Het eerste grondbeginsel stelt vast dat er een ‘ondergrond’ is waarop en waardoor de kosmos gemanifesteerd wordt. Het is:

Een alomtegenwoordig, eeuwig, grenzeloos en onveranderlijk BEGINSEL, waarover elke speculatie onmogelijk is omdat het het menselijk begripsvermogen te boven gaat en door menselijke uitdrukkingen of vergelijkingen alleen maar kan worden verkleind. Het ligt buiten het gebied en bereik van het denken – met de woorden van de Mandukya (Upanisad) ‘ondenkbaar en onuitsprekelijk’. 16

Het lijkt op het eerste gezicht onzinnig om iets te leren waarover al het denken of speculeren onmogelijk is; daarom zeggen sommigen dat het nutteloos is om dat absolute grondbeginsel te bestuderen, ook al is het een grondbeginsel van theosofische leringen. Ook zijn er mensen die met dit onderwerp proberen om te gaan door het te verzwakken tot alleen maar een filosofische stelling over die oorspronkelijke Eenheid waarin illusionaire veelheid plaatsvindt. Maar als je er rekening mee houdt dat veel pagina’s in de GL gewijd zijn aan deze Absolute Werkelijkheid moet er toch een andere reden zijn om over dit ‘ondenkbare en onuitspreekbare’ grondbeginsel te schrijven.

Dit eerste grondbeginsel en Stanza I in het eerste deel van de GL verwijzen naar de ongemanifesteerde staat van het universum waar alleen maar oneindige ruimte en eeuwigheid zijn, in een absolute staat. Volgens HPB kan ware meditatie op dit begrip (niet alleen maar intellectuele studie) een belangrijk effect hebben op het denkvermogen. Zij raadde dit thema aan als de juiste basis voor het gebruik van haar meditatiediagram toen ze zei:’Stel u eerst EENHEID voor door uitbreiding in Ruimte en oneindig in Tijd 17 Deze opmerking zegt dat we het denkvermogen moeten uitbreiden, maar waarom? Dit is nodig om de geconcentreerdheid op het zelf op te geven en het besef van tijd te verliezen. Zoals JK herhaaldelijk zei ‘Het besef van tijd is gebaseerd op gedachte’ en we ervaren dat in die staat van universaliteit en eeuwigheid het denken stil en rustig wordt zonder beelden om mee te werken. Verderop in haar diagram zegt HPB dat de normale staat van ons bewustzijn gevormd moet worden door ‘het door de verbeeldingskracht voortdurend aanwezig zijn in alle Ruimte en Tijd’. Dit kan lijken op alleen maar fantasie, maar het diagram geeft aan dat er door dit te doen een verandering wordt voortgebracht in het bewustzijn:

Theosofia 108/3 · juni 2007        105

Hieruit ontstaat een onderlaag van herinnering die blijft bestaan bij waken en slapen. De uiting ervan is moed. Door de herinnering aan universaliteit verdwijnt alle vrees tijdens gevaren en beproevingen van het leven.

Deze laatste vaststelling is erg duidelijk omdat we als we in onszelf kijken zullen zien dat angst ontstaat uit het gevoel van afgescheidenheid, door de identificatie van ons bewustzijn met dit sterfelijke kleine zelf. Een dergelijke oefening helpt ons het bewustzijn uit te breiden. We vinden een gelijkwaardige opmerking in Licht op het Pad:  Leef niet in het nu en evenmin in de toekomst maar in het eeuwige. Dit reusachtige onkruid kan daar niet bloeien; deze smet op het bestaan wordt uitgewist door de atmosfeer zelf van de eeuwige gedachte.18

Dus het vestigen van ons bewustzijn in een staat van universaliteit en eeuwigheid (wat heel anders is dan het praten erover) helpt ons het zelf achter te laten en dan is er een mogelijkheid om met het ongeconditioneerde in relatie te komen. Laten we er vanuit een andere hoek naar kijken zoals in de dialoog tussen JK en Dr. Bohm die hierboven werd aangehaald:

DB: ‘Wat is de aard van het denkvermogen? Ligt het denkvermogen in het lichaam of in het brein?’

JK: ‘Nee het heeft niets te maken met het lichaam of het brein.’

DB: ‘Heeft het te maken met ruimte of tijd?

JK: ‘Ruimte – nou wacht eens even! Het heeft te maken met ruimte en stilte...

DB: ‘Nu zou ik in willen gaan op de vraag hoe zij contact maken.

JK: ‘Ah! Contact tussen het denkvermogen en het brein kan alleen ontstaan als het brein stil is...

DB: ‘En kan men zien dat, als het brein stil is, het kan luisteren naar iets diepers?’

JK: ‘Dat is juist. Dan, als het stil is, is het verwant aan het denkvermogen. Dan kan het denkvermogen functioneren door het brein.’ 19

Daarom kan de juiste meditatie op het eerste grondbeginsel, dat een Werkelijkheid aangeeft die gedachte overstijgt, ons leiden naar een conditie van stilte en vrede waar het zelf niet is, waar geestelijke intuďtie kan opkomen.

Het tweede grondbeginsel

We weten echter niet hoe we in de bovenbesproken richting verder kunnen gaan, omdat we leven temidden van een rusteloos denken. Het tweede grondbeginsel geeft ons een sleutel. Het verklaart: ‘De eeuwigheid van het Heelal in toto als een grenzeloos gebied dat periodiek “het toneel is van talloze Heelallen die zich onophoudelijk manifesteren en weer verdwijnen”.’

106        Theosofia 108/3 · juni 2007

Macrokosmisch bekeken is het Heelal in toto (de Ruimte) eeuwig en grenzeloos, maar periodiek is het een onophoudelijke beweging van manifestatie en ontbinding die plaats vindt in die onveranderlijke Ruimte. De ‘talloze heelallen die zich onophoudelijk manifesteren en weer verdwijnen’ in de macrokosmos komen in de microkosmos overeen met onze gevoelens, gedachten, herinneringen en zo meer, die steeds weer oprijzen en tot een einde komen. Om de volgorde van deze twee grondbeginselen te begrijpen moeten we eerst voor zover mogelijk een ‘ongeconditioneerde’ waarneming hebben en daarna de innerlijke conditionering aanpakken. Deze volgorde is nauw verbonden met het meditatiediagram dat hierboven genoemd wordt, waarin HPB zegt dat we na de ideevorming van Eenheid moeten mediteren op onze staten van bewustzijn. Waarom worden we daartoe aangespoord? Het zou kunnen dat het een manier is om te mediteren ‘over het eigen lager zelf in het licht van de innerlijke goddelijke mens 20 en niet alleen maar als een intellectuele analyse door het geconditioneerde denken. Dan kijken we naar onze normale gang van zaken vanuit de hoogste staat die we kunnen bereiken. Dit lijkt ook op JK’s antwoord op een vraag. Toen hem gevraagd werd hoe wij een brug kunnen bouwen tussen onze geconditioneerde staat en ‘Dat wat ongeconditioneerd is’ antwoordde hij dat dat onmogelijk is. De brug moet gebouwd worden van Dat naar dit. Dit betekent natuurlijk niet dat we onszelf moeten misleiden en voor waar moeten aannemen dat de denker verschilt van de conditionering. Het (lagere) denken, het zelf, is de conditionering. Maar het (stille) vermogen om gewaar te zijn is niet onvermijdelijk beperkt tot het hersenbewustzijn, tot het zelf. Dus wat hier gevraagd wordt is dat het waarnemingsvermogen zich losmaakt van het egobewustzijn en van de identificatie met de psychologische processen, en dat wordt gedaan door het besef van ‘de ruimte te zijn’.

Als we dit nader onderzoeken ondergaat ieder van ons onophoudelijke opwellingen van gewaarwordingen, gevoelens, gedachten, herinneringen, verwachtingen en verlangens die elkaar opvolgen. En hoewel niets in die opwellingen blijvend is, verbinden wij er op een bepaalde manier een besef van een afzonderlijke identiteit aan: ‘de denker’ die alles overkomt. Maar we realiseren ons niet dat al deze processen werktuigelijk plaatsvinden: er is ‘iets’ in ons dat denkt of voelt als reactie op externe of interne prikkelingen of met andere woorden: deze processen zijn alleen maar de werkzaamheden van de skandha’s. 21 Omdat we ons echter identificeren met die interne opwellingen zeggen we ‘ik ben hem of haar die denkt of voelt’. Deze waarneming is echter onjuist, want er bestaat geen denker als een afgescheiden entiteit. Als we in stilte observeren kunnen we ons realiseren dat er alleen maar verschillende gedachten zijn die allemaal de rol van ‘denker’ aannemen als ze actief zijn, terwijl herinnering al de voorbijkomende gedachten met elkaar verbindt en zo een besef van continuďteit veroorzaakt. Maar wat is dan blijvend? Zoals al eerder aangegeven is dat ‘de ruimte’. Dat betekent dat we, in de poging om het bewustzijn te verheffen van het tijdelijke naar het eeuwige, onszelf moeten identificeren met de (innerlijke) onveranderlijke ruimte waarin de psychologische processen plaatsvinden met dat wat alle opwellingen omvat en niet met de opwellingen zelf. Zoals Sri  Sankaracharya  zei:

Theosofia 108/3 · juni 2007        107

Ruimte wordt niet aangetast door de lucht van wijn als het in contact komt met de kruik en op dezelfde manier wordt iemands ware aard niet aangetast door het contact met de dingen waarmee men zichzelf identificeert. 22

Men zou bewust moeten worden van zichzelf als ondeelbaar en perfect zoals ruimte zelf is, wanneer men vrij is van identificatie met zulke dingen als het lichaam, de zintuigen, de functies, het denken en het moeten handelen, wat allemaal de producten zijn van iemands eigen onwetendheid. 23

Deze verwijzing is geen abstractie of verbeelding die door gedachten wordt voortgebracht. Als men werkelijk heel rustig de innerlijke beweging gadeslaat en het besef van het ‘ik’ voor een tijdje verliest, ontstaat er een gevoel van echt deel uit te maken van de ruimte die alle psychologische processen omvat. En deze staat kan gezien worden als een staat van zuiver ‘Zelf Bestaan’, omdat er geen gewaarwording is van ’ik ben dit of dat’, maar van een staat van zuiver ‘Zijn’, eenvoudig een besef van identiteit zonder enige grenzen.

En er is iets interessants in dit proces: we beginnen door te proberen onszelf in de staat van ruimte te brengen en getuige te zijn van alles dat binnen in ons gebeurt en we eindigen in de staat van stille en rustige pure ruimte. Dit lijkt op de beroemde uitspraken van JK: ‘De eerste stap is de laatste stap’ of ’Vrijheid( van conditioneringen) moet in het eerste begin plaats vinden’. In de klassieke theosofische literatuur vinden we gelijkwaardige begrippen als er gezegd wordt dat het pad (de middelen) en het doel in wezen één en hetzelfde zijn.

Het derde grondbeginsel

Tenslotte geeft het derde grondbeginsel ons een hint over de juiste houding bij dagelijkse ervaringen. Het verklaart:

De fundamentele gelijkheid van alle zielen met de Universele Overziel, die zelf een aspect is van de Onbekende Wortel; en de verplichte pelgrimstocht voor iedere ziel – een vonk van eerstgenoemde – door de cyclus van incarnatie (of ‘noodzakelijkheid’) in overeenstemming met de cyclische en karmische wet gedurende het hele tijdperk...[om te kunnen komen tot] een onafhankelijk (bewust) bestaan.

Dit grondbeginsel bevestigt dat we met ons bewustzijn in wezen de Universele Overziel zijn en dat is het universele denkvermogen. Maar we moeten leven door die afzonderlijke voertuigen ( het fysieke, emotionele en mentale voertuig) die dat universele bewustzijn inperken om een zuiver zelfbewust bestaan te kunnen verwerven. Daarom kunnen we niet weigeren om door al die levenservaringen te gaan, ongeacht of ze aangenaam, pijnlijk of neutraal zijn. Deze ervaringen kunnen echter niet veel effect hebben als we er niet doorheen gaan vanuit een bepaalde houding. De Stem van de Stilte zegt: De zaden van wijsheid kunnen niet kiemen en groeien in een bedompte ruimte. Om te kunnen leven en ervaring op te doen, heeft het denken breedte en diepte nodig en aanwijzingen om het op te trekken tot de Diamant- ziel. Zoek deze aanwijzingen niet in het rijk van Maya, maar stijg boven begoochelingen uit, zoek het eeuwige en het onveranderlijke SAT (de ene eeuwige en absolute Werkelijkheid en Waarheid, al de rest is illusie), wantrouw alle bedrieglijke ingevingen van de verbeelding. 24

108        Theosofia 108/3 · juni 2007

De mensheid verandert heel langzaam. Als we in leven zijn ondergaan we het leven niet optimaal. We handelen meestal werktuigelijk, ondoordacht en daarbij identificeren we onszelf ook nog met de persoonlijkheid als we kiezen voor  plezierige ervaringen en  pijnlijke zaken afwijzen. Daarom leren we er maar weinig van. Maar ‘om te leven en ervaringen te oogsten’ heeft ons denken ‘breedte en diepte’ nodig. Dat wil zeggen dat het open moet zijn, gevoelig, leeg, niet bezig met al de psychologische processen en reacties. Het zou eerder een getuige moeten zijn en dat is alleen mogelijk als ons bewustzijn niet verward wordt met het domein van maya ‘en mooie valse voorstellen hoort’. Het denken kan dan gericht zijn op ‘het eeuwige en onveranderlijke SAT ’ de onveranderlijke ruimte of het ZIJN, zoals we het hierboven bespraken. Op die manier kunnen de grondbeginselen gezien worden als een spirituele praktijk en ons tonen wat voor een houding we zouden moeten hebben terwijl we onze dagelijkse levens leven om werkelijk ‘ervaring te oogsten’.

Zij die geďnteresseerd zijn in dit onderwerp zullen het nuttig vinden om HPB’s meditatiediagram te raadplegen, dat verdere suggesties geeft om deze praktijk toe te passen.

Documentatie

1 Letters from the Masters of the wisdom, second series No.69.

2 Daniel H.Caldwell ‘The Myth of the “MissingThird Volume of The Secret Doctrine’ Blavatsky Study Centre, online ed. 2004

3 The Mahatma Letters to A.P. Sinnett in chronological order. No 12. (ML 6 ook in de Nederlandse niet chronologische vertaling MB 6 p 26 10 dec 1880)

4 How to study Theosophy R.Bowen.p 8 Nederlands (Ned) de brochure: Mme Blavatsky over de studie van theosofie door Robert Bowen.p 6

5 Op cit p13. Ned: Bowen brochure p 9.

6 The Future of Humanity. First conversation. Brockwood Park 11 june 1983.

7 ‘The Beacon of the Unknown’ H.P. Blavatsky’s Collected Writings (CW) XI p 258.

8 Bowen How to study Theosophy p 9. Ned: Bowen p 6.

9 Op cit. p 9. Ned: Bowen pp 6 - 7.

10 Op cit. p 13. Ned: Bowen p 9.

11 Op cit. p 14. Ned: Bowen p 10.

12 The Secret Doctrine (SD) I 2003 TPH Adyar 3 vol.ed. p 21. Ned: De Geheime Leer p [21] TUP uitgave p 51.

13 ‘The Beacon of the Unknown’ CW XI p 258.

14 The Future of Humanity. Second Conversation Brockwood Park 20 june 1983 pp 71-3.

15 SD I p 274. Ned: GL I [274] TUP p 301.

16 SD I p 14. Ned: GL I [14] TUP p 43.

17 The Theosophist May 2003 pp 308-9. Ned: Theosofia nr 5 oktober 2005.p190-1

18 Light on the Path. 2000 TPH Adyar p 20. Ned: Joy Mills Op de Drempel van het Heilige Pad UTVN. p167.

19 The Future of Humanity Second Conversation pp 62, 67.

20 SD V 1962 TPH Adyar 6vol.ed. p 468 of CW XII p 603. Ned: Geheime Leer III UTVN. p 543.

21 Psychische verzamelingen van gewoonten en neigingen.

22 Viveka-cudamani (the Crest-Jewel of Discrimination) v.450.

23 Op.cit. v 384.

24 The Voice of the Silence v.114. Ned: Drie wegen één pad UTVN 2006. p 55.


Vertaling: FvI

Theosofia 108/3 · juni 2007        109

110        Theosofia 108/3 · juni 2007

Theosofia 108/3 · juni 2007        111

Terug naar Theosofische Vereniging Website