TVN Home » Tijdschrift Theosofia » 2004 » Juni » Kracht of zwakheid, Radha Burnier

Kracht of zwakheid, Radha Burnier

Elk serieus lid van de Theosofische Vereniging zou duidelijk moeten weten dat de Vereniging geen theologie of dogma aanbiedt, geen god, goeroe of autoriteit; zij legt geen geloof op noch moedigt zij afhankelijkheid aan.

Zoals Annie Besant zei: ‘wij denken dat de Waarheid gezocht moet worden door studie, door bespiegeling, door zuiverheid van leven, door toewijding aan hoge idealen.’ Als de Theosophical Society (TS) een minder afschrikwekkend pad aanried en een reeks goeroes zou inschakelen, bij voorkeur herkenbaar aan kleding, uitspraken en uiterlijke attributen zou zijmisschien een veel groter aantal mensen aan zich weten te binden. Maar welk doel zou dat dienen?’

Er zijn mensen die het ledental van de Vereniging graag snel zouden willen zien groeien en haar populariteit zouden zien toenemen. Zij willen het publiek plezieren met psychologisch troostende dingen die weinig of niets van doen hebben met de universele broederschap die het hoofddoel is van de Vereniging, of de gewone zoektocht en het streven naar waarheid die de ver uiteen liggende Secties en leden spiritueel bindt in een liefhebbende eenheidsband. Zij beschouwen het als een zwakheid in de Vereniging dat zij de noden van het publiek niet lenigt en haar doelstellingen verandert om populariteit te bereiken.

Het heldere beleid van de Vereniging is niet om te wereld te amuseren met wat de wereld wil, maar om mensen te helpen de bron van wijsheid binnenin zichzelf te ontdekken. Dit is geen zwakheid maar haar kracht. Zoals de Mahatmas zeiden, het doel van de Vereniging is niet om geloof en afhankelijkheid bij te brengen, het is ‘de mens deugdzaamheid om de deugdzaamheid te leren, en door het leven te gaan terwijl hij op zichzelf vertrouwt in plaats van dat hij op een theologische kruk steunt, die ontelbare eeuwen de rechtstreekse oorzaak was van bijna alle menselijke misère.’ Deze uitspraak van KH wordt versterkt door zijn Adept-vriend M, die aan een lid schreef: ‘een constant gevoel van verwerpelijke afhankelijkheid van een Godheid [wij zouden ook kunnen zeggen een goeroe] die hij beschouwt als de enige bron van kracht zorgt ervoor dat een mens alle vertrouwen in zichzelf en elke aansporing tot activiteit en initiatief verliest.’

Theosofia 104/3 · juni 2004        99

Daar het universum geregeerd wordt door de wet op de grovere evenals op de ijlere gebieden van het bestaan en omdat oorzaak en gevolg onontwarbaar verbonden zijn, ontvangt ieder mens alleen wat hij of zij verdient. Het volgen van het theosofische pad betekent dat door studie, bespiegeling, zuiverheid van leven en onzelfzuchtige toewijding aan hoge idealen, verlichting verdiend moet worden.

Het onwrikbare beleid van de Vereniging is en moet er altijd één blijven van aanmoedigen niet van geloof maar van onderzoek; niet van afhankelijkheid van een god of een goeroe maar van vertrouwen in het licht van spirituele intelligentie binnen iemands eigen hart en van het vaste voornemen dat licht te laten schijnen door de beproefde middelen aan te wenden om de duisternis van het zelfzuchtige en onwetende denkvermogen te verdrijven.

Een kwestie van vertrouwen

Van augustus 1960 tot maart 1961 verschenen er in The Theosophist afleveringen van een verhaal van HPB getiteld ‘Een Durbar (audiëntie) in Lahore’, dat een bijzonder amusant verslag deed van de durbar die gehouden werd door Lord Ripon, onderkoning van India in die tijd. In november 1880 reisden H.P. Blavatsky en H.S. Olcott naar Lahore om een afdeling van de TS in die stad op te zetten, hetgeen hun de gelegenheid bood de durbar bij te wonen. HPB schreef onder andere:

‘Dertig jaar geleden kon je naar de dichtstbijzijnde geldwisselaar gaan (die tevens bankier is, die op straat zit in zijn hutje) en je hele kapitaal veilig bij hem achterlaten zonder zelfs maar een ontvangstbewijs te krijgen; dan kon je weggaan en als je na een jaar of twee terugkwam kon je je geld opvragen. En op je eerste woord zou de bankier-geldwisselaar het geld teruggeven, ook al was het een miljoen… Tot de opstand van 1857 [die de Britten de Indiase Opstand noemden en die de Indiërs beschouwen als de eerste ronde van de strijd om onafhankelijkheid] waren kwitanties praktisch onbekend in India: één getuige was voldoende voor welke transactie dan ook. En nu? Nu hebben getuigen van geldtransacties zich niet met honderden maar met duizenden vermenigvuldigd.’

Al eeuwen eerder, toen de Griek Megasthenes naar India kwam als ambassadeur van Prins Seleukos, werd ook hij getroffen door de eerlijkheid van de Indiase mensen. Volgens de bekende Britse historicus, Vincent A.Smith, ‘genoten de mensen van het aloude India een wijdverbreide en benijdenswaardige reputatie van oprechtheid en eerlijkheid.’ Ofschoon dit gold voor gewone mensen, hadden prinsen en machtige mensen geen vertrouwen in elkaar.

In het eerste deel van de twintigste eeuw hadden veel oude gebouwen op het terrein van ons hoofdkwartier alleen maar deuren, geen ramen – blijkbaar een bewijs van het gevoel van veiligheid en de vertrouwensrelaties die er toen bestonden. Deuren stonden ’s nachts open zodat er frisse lucht doorheen kon waaien, terwijl de bewoners van het huis vast sliepen zonder angst voor diefstal of onraad. Zulke situaties waren niet alleen eigen aan India; zij bestonden in grote delen van de wereld. Wanneer mensen hun woord gaven, hielden ze dat. Verloren voorwerpen kwamen vrijwel altijd terecht op het politiebureau waar de eigenaar ze kon ophalen.

Hoe totaal verschillend is de wereld tegenwoordig, waarbij vertrouwen en betrouwbaarheid niet langer een belangrijk deel uitmaken van menselijke relaties. Het grote publiek vertrouwt niet meer op haar regeringen, politieke leiders, kranten en andere informatiemedia, noch op de multinationals en grote bedrijven.

De grote tabaksfabrikanten hebben tot voor kort miljoenen mensen voor de gek gehouden. Interne nota’s en documenten zijn nu tevoorschijn gekomen door de inspanningen van onderzoeksjournalisten in verscheidene landen en de onjuistheid van onderzoek, dat verricht is onder de vlag van deze bedrijven om te bewijzen dat tabak niet schadelijk is, is aan het licht gekomen. De tabaksfabrikanten zijn zwaar gestraft in de VS, maar zij gaan door met het verkopen van hun waren in Azië en Afrika, alsof sigaretten een gezonde, ontspannende manier vormen om van het leven te genieten. Zij hebben geen scrupules over het smokkelen van sigaretten of het gebruiken van de zwarte markt om hun goederen te exporteren naar gebieden waar er weinig kans is dat hun leugens uitkomen.

100        Theosofia 104/3 · juni 2004

Niet lang geleden kondigde het prestigieuze wetenschapstijdschrift Nature aan dat voortaan alle inzenders van artikelen ‘alle strijdige financiële belangen’ moeten melden. De wetenschap is nauw betrokken bij bedrijven en regeringen die de motivatie en het geld hebben om wetenschappelijk onderzoek financieel te steunen, vooral dat onderzoek dat hun winsten en hun macht vergroot. Het publiek moet natuurlijk weten hoe de verslagen en bevindingen van wetenschappers en onderzoekers gefinancierd worden om te beslissen wie en wat ze kan vertrouwen.

Schandalen zijn ook niet aan organen als de Europese Commissie voorbijgegaan, die ontvangen gelden gebruikten of misbruikten met het doel de armoede te verlichten. De ontvangende bureaus, vaak de regeringen van arme landen, hebben ontwikkelingshulp gebruikt om hun plaatselijke oorlogen te voeren. De rijken zijn geen haar beter dan de armen wanneer het om profiteren gaat – het verkopen van dierenvoer dat gemaakt is van resten slachtafval voor menselijke consumptie of het exporteren van martelwerktuigen die opzettelijk verkeerd geëtiketteerd zijn. Ook de ‘sport’ is bezoedeld door te veel gevallen van bedrog.

Onder deze omstandigheden valt er misschien veel te leren van eenvoudige samenlevingen waar relaties en niet winst het belangrijkst geweest zijn. In Melanesië en in Polynesië, wordt ons verteld, was het vroeger de gewoonte bij de verkoop van land of ander bezit nooit aan te dringen op de hoogst mogelijke prijs. Zij onderhandelden om goede relaties te verbeteren: de verkoper deed de prijs omlaag om de koper niet door een hoge prijs te beledigen, terwijl de koper zijn bod verhoogde om de welwillendheid van de verkoper te verkrijgen! In een kleine maatschappij waar iedereen geparenteerd is aan of bekend is met alle anderen zijn zulke transacties misschien gemakkelijk. Maar aan de andere kant, leven wij niet met zijn allen op een kleine planeet, zijn wij niet allen met elkaar verbonden, met de verplichting elkaar te vertrouwen en ons te gedragen op een manier die vertrouwen schept? Alle religieuze leringen leggen sterk de nadruk op waarheid en eerlijkheid als fundamentele waarden, aangezien wij zonder deze eigenschappen een verdeelde en gevaarlijke wereld zullen creëren. De integriteit van de menselijke samenleving is een kwestie van vertrouwen en oprechtheid in relaties.

Morele zelfdoding

Wij mogen de Britse regering lof toezwaaien omdat zij de afschuwelijke handel van pelsboerderijen verboden heeft. Een nieuwe wet voorziet in het sluiten van al dit soort ‘boerderijen’ in Engeland en Wales in 2002. [Het blad] Animal’s Defender kondigt aan dat de Schotse regering haar eigen wetgeving zal invoeren.

Onverantwoord dieren doden en hen onzegbaar leed toebrengen om de ijdelheid te bevredigen of als een vorm van amusement verlaagt mensen tot minder dan dieren. Alleen ontaarde mensen verzinnen dat je prachtige kleine dieren van hun mooie wollige pelzen kunt ontdoen louter en alleen voor een modegril. Elke bontjas impliceert immens lijden en vroegtijdige dood voor vele dieren. Animal’s Defender wijst erop dat nertsen op nertsboerderijen gehouden worden in piepkleine gazen kooitjes, waarbij hun natuurlijke kilometersgrote territoria gereduceerd zijn tot enkele tientallen centimeters. De arme beestjes worden gedwongen over elkaar heen te klimmen om zich zelfs maar te kunnen bewegen. Op de dertien boerderijen in Engeland alleen worden er jaarlijks ongeveer 165.000 van hen gedood.

Theosofia 104/3 · juni 2004        101

Laten wij hopen dat ook andere landen gauw het voorbeeld zullen volgen dat gegeven is door de Britse regering en bontfokken en soortgelijke afschuwelijke praktijken zullen afschaffen. De publieke opinie tegen wreedheid is toegenomen in Groot Brittannië en moet elders sterker worden. In The Guardian Weekly van 6-11 augustus 1999 schrijft John Grey: ‘Dierenwelzijn is niet langer een marginaal onderwerp. Het is een belangrijke factor geworden in de Britse politiek.’ De vossenjacht wordt net zozeer een publiek aandachtspunt als kindermishandeling, ondanks de stevige oppositie van jagers. Hopelijk zal de Britse regering, liever vandaag dan morgen, een einde maken aan het jagen als sport.

Graaf Leo Tolstoj, die ooit een verwoed jager was, vertelt hoe hij de ‘sport’ helemaal opgaf nadat hij een wolf had doodgeslagen. Het dier was uit zijn schuilplaats verdreven door de drijvers. Hij rende naar voren om de wolf te doden met een reusachtige knuppel… en sloeg hem op zijn neus, de meest gevoelige plaats. Het dier keek hem recht in de ogen en bij elke slag ontsnapte hem een onderdrukte zucht. Tolstoj schreef later:

‘De man die het hele morele belang begrijpt van medelijden zal niet terugschrikken voor de angst dat het tonen van medelijden hem misschien belachelijk zou kunnen maken in de ogen van anderen. Wat kan het hem schelen dat hij, als hij een muis bevrijdt uit een val in plaats van haar te doden, schertsende of afkeurende opmerkingen oproept, als hij weet dat hij niet alleen een dier dat evenzeer aan het leven hing als hijzelf behoed heeft voor de dood maar sterker nog, dat hij vrijelijk uitdrukking heeft gegeven aan het gevoel van mededogen, dat hij een stap gezet heeft in de richting van dat superieure tijdperk van universele liefde dat, daar het geen beperking toestaat, hem bevrijdt van de dood en hem vereenzelvigt met de bron van het leven.’

Elke jager handelt op een manier die daar lijnrecht tegenover staat; niet alleen toevallig, maar steeds weer onderdrukt hij in zichzelf het kostbare gevoel van liefde. Het is nauwelijks waarschijnlijk dat er onder de jagers ook maar één is die niet tenminste eenmaal iets van medelijden heeft ervaren voor een van zijn slachtoffers maar die, elke keer, ernaar streeft dat dit sentiment hem niet de baas wordt, daar hij het beschouwt als een zwakheid. En op die manier vertrapt hij de nauwelijks geopende knop van medelijden, waaruit misschien het meest verheven sentiment en de meest volmaakte liefde had kunnen groeien en bloeien. In deze voortdurende morele zelfdoding ligt het soevereine kwaad van het hart.

Uit: The Theosophist, november 2001
Vertaling: A.M.I.

De werkelijkheid is één, ook al geven de wijzen er verschillende namen aan.

De Upanishads

102        Theosofia 104/3 · juni 2004